Archief voor 18 september 2011

18
Sep
11

Aflevering 4 van J.G. Herder: “God” (een serie gesprekken over Spinoza)

Wat zijn meningen betreft, weet ik weliswaar nog niet, wat ik daarvan
moet vinden. Maar zelfs de hier als onjuist aangevoerde en waarschijnlijk meest
prikkelende passages dragen in al hun innerlijke tegenstrijdigheid het stempel
van de overtuiging van degene die deze meningen waren toegedaan. Hij wil ze
niemand opdringen, hij wil geen sekte stichten, en dat niet uit
mensenschuwheid, maar uit vrees de meningen van anderen ook na zijn dood te
storen. Tijdens zijn leven heeft hij niets anders uitgegeven dan een kleine
verhandeling, waarmee hij vrede dacht te stichten. Toen deze poging mislukte,
woonde hij met zijn filosofie alleen en verbrandt enkele dagen voor zijn dood
nog een aangevangen vertaling van het Oude Testament, opdat hij niet ook na
zijn dood onvrede zou veroorzaken. Ik zou willen dat hij haar niet had
verbrand, want als zij al op zichzelf geen waarde had, dan had de tijd haar wel
vernietigd.

******

Terug naar zijn geschriften! Ze zijn na zijn dood
verschenen. Hij had ze, zo lijkt het wel, voor zichzelf geschreven. En het zijn
voor het grootste deel fragmenten.

______________

“OVER DE VERBETERING
VAN HET VERSTAND EN OVER DE MANIER WAAROP MEN HET BESTE TOT DE WARE KENNIS VAN
DE DINGEN KOMT”

De ervaring had mij geleerd, dat alles wat ons in het
dagelijks leven zoal overkomt, een verzameling snuisterijen zonder waarde is.
Daarbij zag ik ook dat alles waar ik bang voor was, in zichzelf niets kwaads of
goeds had, behalve dat het gemoed erdoor werd bewogen. Uiteindelijk deed mij
dit besluiten om te onderzoeken, of er iets zou zijn dat waarachtig goed was en
zich aan ons zou mededelen, zodanig, dat met verwerping van al het andere, de
ziel alleen door dat goede zou worden beïnvloed[1]. Ja zelfs, of er iets zou
zijn dat, wanneer ik het eenmaal gevonden en mij toegeëigend had, mij een
onwrikbaar, zeer diep en eeuwig gevoel van vreugde zou geven. Ik zeg:
“uiteindelijk deed mij dit besluiten”, want op het eerste gezicht scheen het
niet raadzaam te zijn om een destijds zekere zaak te willen verliezen omwille
van een destijds onzekere zaak. Ik zag namelijk de voordelen die uit eer en
rijkdom voortkomen, en die ik niet verder moest zoeken zodra ik mij in ernst op
mijn nieuwe doel zou toeleggen. Wanneer daar immers het hoogste geluk in zou
liggen, dan zag ik wel in dat ik deze zou moeten ontberen. Zou ik het gezochte
daar echter niet in vinden, en streefde ik het toch na, dan moest ik ook dat
ontberen. Zo overwoog ik of het niet mogelijk zou zijn om mijn nieuwe doel te
bereiken, of in elk geval zekerheid te krijgen aangaande het bestaan van zoiets
dergelijks, zonder mijn gewone levenswijze te veranderen. Dit probeerde ik
dikwijls, maar tevergeefs. Want wat wij gewoonlijk in het leven tegenkomen en
door de mensen (naar hun handelingen te oordelen) als het hoogste goed wordt
beschouwd, kan in drieën worden onderverdeeld, namelijk in rijkdom, eer en
lust. Door alle drie echter wordt het gemoed dermate verward, dat het aan geen
ander goed meer kan denken. Want wat de wellust betreft, deze misleidt het
gemoed een tijdlang, alsof het in iets goeds zou rusten, en belet het daardoor
aan iets anders goeds te denken. Spoedig echter volgt op het genot ervan de
diepste treurigheid die de geest zo niet gevangenhoudt, dan toch wel verstoort
en afstompt. Ook als de eer en de rijkdom daarna komen, raakt de ziel in
verwarring, vooral wanneer wij die zuiver om haarzelf begeren, omdat ze ons dan
als het hoogste goed toeschijnen. Ook brengt de eer ons gemoed nog meer in
verwarring dan de rijkdom, omdat ze voortdurend als een werkelijk goed en als
laatste doel gewaardeerd wordt, waarop alles moet worden ingericht. Verder
vindt bij eer en rijkdom weliswaar geen rouw plaats zoals bij de wellust, maar
hoe meer men van beide bezit, des te meer verheugt men zich en des te meer
wordt men ertoe aangezet ze te vermeerderen[2]. Wanneer echter door een
of andere toevallige gebeurtenis de hoop erop niet wordt vervuld, dan brengen
beide de grootste treurnis. Uiteindelijk is ook de eer daarom een grote belemmering,
omdat teneinde haar te verkrijgen men genoodzaakt is zijn levenswijze naar de
denkwijze van andere mensen in te richten. Men ontvlucht dan wat zij
ontvluchten en men zoekt op wat zij opzoeken.

Aangezien ik dus zag dat dit alles voor mij een belemmering
was om mij op mijn nieuwe werk toe te leggen, ja zelfs hier zo tegengesteld aan
was dat ik ofwel voor het ene ofwel voor het andere moest kiezen, werd ik
gedwongen te onderzoeken welk van beide voor mij nuttiger zou zijn. Want ik
raakte zoals gezegd, in de situatie waarin ik een zeker goed voor een onzeker
op wilde geven. Ik zette deze overwegingen een tijdje voort. Aanvankelijk vond
ik dat bij het verruilen van mijn oude levenswijze voor de nieuwe, ik nog
steeds iets wat naar zijn natuurlijke aard een onzeker goed was, tegen een
ander onzeker goed zou omruilen. Dat andere goede kon echter naar zijn
natuurlijke aard niet onzeker zijn, omdat ik juist een vaststaand goed zocht[3]. Het enige dat
twijfelachtig bleef, was de vraag of ik het wel ooit zou verwerven. Door verder
na te denken, begon ik zelfs in te zien dat wanneer ik alles goed enw el
overwoog, ik een zeker kwaad tegen een zeker goed zou omwisselen. Ik zag
namelijk dat ik in zeer groot gevaar verkeerde en van node had om met
inspanning van al mijn krachten een al even onzeker reddingsmiddel te zoeken;
zoals de zieke die wanneer hij geen medicijn gebruikt, de zekere dood vóór zich
ziet, eveneens een onzeker medicijn moet zoeken, omdat zijn enige hoop dáárop
gevestigd is. Al die dingen echter die door de grote hoop worden nagejaagd,
verschaffen niet alleen geen middel tot behoud van ons zijn, maar ook sluiten
zij ons van dat zijn af. Dikwijls veroorzaken zijn de ondergang van hen die ze
bezitten, maar altijd de ondergang van hen die erdoor bezeten worden.

Er zijn vele voorbeelden van mensen die vanwege hun rijkdom
zich tot in de dood lieten vervolgen, en ook voorbeelden van mensen die om
goederen te verkrijgen zich aan zovele gevaren blootstelden, dat zij
uiteindelijk hun dwaasheid met de dood moesten bekopen. Niet minder in aantal
zijn zij die om eer te behalen of te behouden, allerellendigst moesten lijden.
Talloze voorbeelden tenslotte zijn er aan te wijzen van diegenen, die door
overmatige wellust hun dood hebben bespoedigd. Al deze kwaden lijken mij
daaraan te wijten, dat heel het geluk of ongeluk ligt in het betrokken zijn op
het voorwerp waarop zich onze liefde richt. Want om hetgeen men niet liefheeft,
ontstaat geen strijd. Men treurt er niet om, als het verdwijnt. Men voelt geen
jaloezie als een ander het bezit, geen vrees, geen haat, kortom geen
gemoedsbeweging. Dit is van toepassing als men zulke vergankelijke dingen liefheeft
waarover wij tot dusver hebben gesproken. Liefde echter voor een eeuwig en
oneindig voorwerp kan slechts vreugde voor de ziel opleveren, een liefde die
van treurnis geen weet heeft. Waarlijk, een zeer begerenswaardig doel, waar men
met al zijn krachten naar zou moeten streven! Echter niet zonder reden heb ik
mij bediend van de uitspraak “als ik maar tot een ernstig besluit kon komen”.
Want hoewel ik dit alles in mijn ziel zo duidelijk zag, kon ik tegelijk om die
reden niet alle gierigheid, alle zucht naar lustbeleving en eer niet afleggen.

(citaat wordt vervolgd)


[1]
De termen “gemoed”, “ziel” en “geest” worden hier door elkaar gebruikt. Latere
negentiende- en twintigste-eeuwse psychologen en filosofen trachten hier wel
een onderscheid in aan te brengen. In het Latijnse origineel wordt consequent
de term “animus” (= ziel, geest, gemoed) gebruikt, en we moeten deze drie
woorden dus zien als een “verlevendiging” die door de vertaler Herder is
aangebracht.

[2]
Van deze menselijke strevingen wordt in de arbeidspsychologie en het management
vandaag de dag gebruik gemaakt in methoden en technieken om mensen te motiveren
(prestatiebeloning, erkenning geven). In de reclame wordt ingespeeld op de wens
tot statusverhoging en lustgevoelens.

[3]
Hier kon Herder mogelijk een cirkelredenering in zien waarvan hij elders in dit
werk Spinoza beticht: Spinoza was naar iets op zoek dat kenmerk A bezit. Hij
vindt iets waarvan niet zeker is of het dat kenmerk A bezit. Dan zegt Spinoza,
dat het die onzekerheid niet kàn hebben, want hij is er immers naar op zoek. In
een andere zienswijze echter hoeft dit geen cirkelredenering te zijn: je zoekt
iets met kenmerk A. Dus het is zeker, dat het A moet zijn als je het vindt. Het
enige wat onzeker is, is of je het al dan niet zult vinden c.q. of het al dan
niet bestaat.

Copyright: Erik Tjallinks

Advertenties
18
Sep
11

Aflevering 3 van J.G. Herder: “God” (een serie gesprekken over Spinoza)

Philo  Laat je het daarop aankomen, Theo? Een mens zonder gezonde principes, een atheïst, een pantheïst enz., over welke materie zou hij kunnen schrijven om bij verstandige mensen toegang te krijgen?[1] Hij moet zelfs het pantheïsme en het atheïsme hebben willen demonstreren. Is dat geen onzin?

Theo  Het pantheïsme en het atheïsme demonstreren? En beide tegelijk? Hoe zijn beide in een en hetzelfde systeem mogelijk? De pantheïst heeft nog altijd een God, hoewel hij zich tegelijk in de aard van God vergist. De atheïst daarentegen, die God gewoonweg ontkent, kan noch pantheïst, noch polytheïst zijn als men niet met de naam speelt. Bovendien, mijn vriend, hoe kan men het atheïsme, d.i. een ontkenning, aantonen?

Philo  Waarom niet, als men een innerlijke tegenspraak in het begrip “God” zou ontdekken of meende te ontdekken?

Theo  Een innerlijke tegenspraak in het eenvoudigste, in het hoogste begrip waartoe de mensheid in staat is? Ik moet bekennen dat ik daar niets van begrijp.

Philo  Daarom was hij dan ook een dwaas, die wilde demonstreren wat niet te demonstreren was; immers, onze nieuwe filosofie zegt luid en duidelijk: “Noch dat er een God is, noch dat hij er niet is, is aan te tonen. Het eerstgenoemde moet men als postulaat aannemen en – gelóven.”

Theo  “En dus”, zou een ander zeggen, “moet het tenminste eenieder vrij zijn, om “één van beide te geloven en als postulaat aan te nemen, d.w.z. atheïst, deïst of theïst te zijn, alnaargelang wij geloof hebben”.” – Maar laten wij dit punt rusten: Spinoza zou atheïst, pantheïst of iets daar tussenin zijn geweest, zo pijnigen mij de bijnamen die je een onbekende geeft. In de filosofie zijn we de tijden van eretitels ontgroeid die Spinoza nog werden toegekend door  Kortholt[2], Brucker[3] en anderen. De eerste meende grappig te zijn, door  Benedictus Maledictus te noemen en de naam Spinoza veranderde in een stekelige struik (Portugees “Espinhosa” = “stekelig, netelig”- vert.). Bij anderen zijn de bijvoeglijke naamwoorden “brutaal, goddeloos, onzinnig, onbeschaamd, godslasterlijk, pestilentieel, afschuwelijk” de gebruikelijke woordkeus waarmee zij hem hel en verdoemenis toewensen. Een uitverkorene heeft zelfs het teken van de eeuwige verwerping op zijn gezicht gevonden, anderen hebben hem op zijn sterfbed wenend om vergiffenis horen smeken. Ik ben geen spinozist en zal het ook nooit worden, maar de manier waarop men deze uitgeputte, stille wijze man met  veroordelingen uit  de vorige eeuw, de meest twistzieke eeuw uit de geschiedenis, in deze tijd nog aan de schandpaal wil nagelen, is voor mij, zo moet ik bekennen, mijn vriend Philo, onverdraaglijk. Hier heb je een boekje van zestien bladzijden, waarin het meeste nog een mengeling van opmerkingen is die je helemaal kunt overslaan. Het is niets anders dan Het leven van Spinoza[4] heel droog, maar met grote nauwkeurigheid verteld, want je ziet, dat de schrijver zich over de toestand zorgen maakte. Een onpartijdig  man heeft het geschreven, geen spinozist, maar een evangelische pastor, die voor God getuigt, dat hij in Spinoza’s Theologisch-politiek Tractaat niets van fundamenteel belang heeft gevonden, noch ook maar iets, hoe gering ook, dat hem in de geloofsbelijdenis waarmee hij de evangelische waarheden is toegedaan, had  kunnen verontrusten, omdat in plaats van de grondige bewijzen men daarin niets anders vindt dan van tevoren aangenomen leerstellingen, en wat men in de wetenschap “petitiones principii”[5] noemt.  Een zo voorzichtige leidsman kun je jezelf zeker toevertrouwen. – Mijn zaken roepen me nu weg, spoedig zullen wij elkaar weer ontmoeten. Als je het boekje wil inzien, dan leg ik je ook de werken van de atheïst zelf voor, helaas zijn het slechts twee kleine banden.

Philo  Ik begrijp Theo niet. Opkomen voor zulk een demonstrant! En wat moet mij hierover zijn levensbeschrijving van een evangelische pastor, eveneens geschreven en eveneens gedrukt, nog zeggen?

******

Een merkwaardig man, deze Spinoza. Hoe zijn systeem ook moge zijn, er is iets waarheid-zoekends, standvastigs en consequents in zijn karakter en leven. Hij legt zich toe op de Joodse theologie, en verlaat haar, om de leer van de natuur grondig te leren kennen. Hij krijgt de werken van Descartes onder ogen die hij met buitengewone belangstelling leest, waarna hij
bekent dat hij alles wat hij aan wijsgerige kennis bezit , vanuit hem heeft geschapen, en hij zich stilte van het Jodendom afwendt omdat hij ervan overtuigd is dat hij haar leerstellingen niet langer kan volgen. Men biedt hem een jaargeld aan van duizend gulden, enkel en alleen opdat hij  slechts de synagoge zou blijven bezoeken. Hij slaat het af en trekt zich zonder kabaal in de stilte terug. Men doet hem in de ban;  hij antwoordt en leert in alle stilte een handwerk om de kost te verdienen. Wat een andersoortig gedrag dan de in vergelijkbare omstandigheden verkerende Acosta, die niet tot rust kon komen, tot de dood hem die verschafte[6]! Ik zou willen dat men Spinoza’s antwoord op de ban van de Portugese synagoge in Amsterdam zou kunnen bemachtigen, als het tenminste niet meteen verscheurd en weggegooid is. Het zou ons de redenen van zijn besluit geloof ik, even kort en krachtig als zacht en
stil, mededelen. Want er heerst een zachtmoedige , stille geest in het leven van deze man. Nu slijpt hij lenzen en leert hij zichzelf tekenen. Zijn levensbeschrijver heeft een verzameling tekeningen van hem in handen gehad, waaronder portretten geweest moeten zijn van personen die hem slechts één bezoek hebben gebracht. Waarschijnlijk heeft hij ze uit het hoofd nagetekend.  Onder deze portret-oefeningen was ook Masaniello in zijn bekende visserskleding, waarover  Spinoza ’s huisbaas hem verzekerde dat hij zoveel op hem leek[7]. Wel een bijzonder idee, om zichzelf als Masaniello te tekenen, of misschien een idee van de huisbaas?  – Nu slijpt Spinoza lenzen, zijn vrienden verkopen ze en hij leeft spaarzaam. Er gaan
dikwijls twee of drie dagen voorbij, zonder dat hij iemand ziet. Velen bieden hem hun beurs of hulp aan. Echter alles slaat hij in bescheidenheid af, leeft van zijn karige voedsel en sluit zijn rekeningen ieder kwartaal af, alleen om te voorkomen dat hij meer zou uitgeven dan hij uit kon geven. Hij is, zoals hij tot zijn huisgenoten zegt, een slang die met zijn staart in de bek een cirkel vormt, om aan te geven dat hij van zijn jaarlijkse inkomsten niets overhield. Ik heb dit symbool onder zijn portret zien staan en dacht, dwaas genoeg, dat het naar zijn systeem verwees. Wat een groter filosoof dan velen die die naam dragen! Hij wil niet méér verzamelen dan wat nodig is om fatsoenlijk begraven te worden. Hij wil echter ook niemand tot last zijn en slechts zelf in zijn bestaan voorzien. Zijn gedrag is stil en vredig:  zijn hartstochten de baas, betoont hij zich nooit zeer bedroefd of zeer vrolijk. In welgekozen woorden troost hij de
lijdenden in zijn huis en vermaant hen, hun ongeluk dat hen is overkomen, als een “door God hen toebedeeld lot” geduldig te dragen. Hij zegt tegen de kinderen, dat zij de eredienst ijverig moeten bezoeken en onderricht hen hoe zij hun hun ouders gehoorzaam moeten zijn, vraagt zijn huisgenoten welk nuttigs zij uit de gehoorde preek hebben gehaald en prijst zeer de stichtelijke, goede geestelijke die hier genoemd wordt (een voorganger van Colerus, zijn biograaf – H.). “Jullie godsdienst is goed” zo spreekt de stille wijze, “jullie hoeven geen andere te zoeken, en er ook niet aan te twijfelen dat jullie daarbij de zaligheid zult verwerven, wanneer je je maar overgeeft aan de goddelijke geest, en tegelijk een vredig en rustig leven leidt.” Een oprechte vriend biedt hem een geschenk van tweeduizend gulden aan, om met wat meer comfort te kunnen leven; hij slaat het vriendelijk af. Een ander wil hem tot erfgenaam maken, hij
neemt de weldaad niet aan, en hij vermindert het jaargeld dat weer een ander hem in zijn laatste levensjaren opdringt, nog met bijna de helft. Zo leeft hij en overlijdt hij in zijn vijfenveertigste levensjaar net zo rustig als hij geleefd heeft. Enkele uren daarvóór had hij met zijn huisgenoten nog een lang gesprek gevoerd over de beluisterde preek, en voordat zij in de namiddag de kerk verlaten, blaast hij in het bijzijn van zijn arts de laatste adem uit. Zijn gehele nalatenschap bedraagt bij verkoop 390 gulden en 14 stuivers, waarover zijn nabestaanden nog ruzie maakten. Een zacht schemerlicht doorstraalt zijn leven. Immers men ziet hoezeer zijn vrienden van hem houden, hoe allen die hem kennen, hem waarderen, en hoe hij zich nooit verheven boven hen stelt, en niemand stug afwijst. Toen de keurvorst van de Palts hem een leerstoel aan zijn universiteit liet aanbieden, met de vrijheid om zijn beginselen uit te werken zoals het hem naar zijn oordeel het meest verdienstelijk zou lijken, antwoordde hij voorzichtig: “Ik weet niet, binnen welke grenzen de vrijheid om mijn meningen te verduidelijken,  ingeperkt zou moeten worden, opdat het niet zou lijken dat ik de godsdienst van het land aanstoot zou willen geven”, en nam de oproep niet aan.


[1]
Het grootste misverstand over Spinoza wordt hier aangesneden: het pantheïsme van Spinoza werd door zijn tijdgenoten als atheïsme opgevat, omdat Spinoza leerstellige zaken als de letterlijke werkelijkheid van bijbelteksten en de historische waarheid van wonderen aanviel, en God niet zag als een soort architect of dirigent van hemel en aarde – vert.

[2]
Christian Kortholt (1633-1694): vroom maar onverdraagzaam en volledig achterhaald theoloog, die Spinoza één van de drie “grote bedriegers” noemde (de andere waren Hobbes en Cherbury). Ook was volgens hem de paus de duivel, wat hij in een van zijn boeken meende te bewijzen – vert. (http://de.wikisource.org/wiki/ADB:Kortholt,_Christian)

[3]
Jacob Brucker (1696-1770): een van de grootste geschiedschrijvers van de Europese filosofie van zijn tijd. Ook hij wijst Spinoza af om diens veronachtzamen van de openbaringsleer en pantheïsme. – vert.

[4]
1705: Johannes Colerus, Korte, dog waarachtige Levens-beschryving van Benedictus de Spinoza, Amsterdam.

[5]
Oftewel cirkelredeneringen. Bv.(niet van Spinoza) De bijbel zegt de waarheid, want het is Gods woord. Een natuurkundig onjuiste passage in de bijbel is dus niet onjuist, want Gods woord is nooit onwaar. Soms, en dat is m.i. bij Spinoza soms het geval, meent de lezer een cirkelredenering te zien, terwijl dat niet het geval is.

[6]
Uriel da Costa ( 1585 –1640) of Uriel Acosta kreeg het eveneens aan de stok met de Amsterdamse Joodse gemeenschap en pleegde na 2 keer te zijn verstoten zelfmoord. Ook hij zocht zijn toevlucht in de “godsdienst van de natuur”, maar wist dit minder knap wijsgerig te verwoorden dan Spinoza.

[7]  Vgl. het volgende citaat uit “Benedictus Spinoza De godloze godzoeker” van Jan en Annie Romein-Verschoor (zie op dbnl.nl): “Voelde hij (Spinoza) zich ook zelf als revolutionair? Ds.
Colerus heeft omstreeks 1700 nog een album met tekeningen van Spinoza in handen gehad. Eén ervan stelde duidelijk een zelfportret voor, maar niet in zijn gewone klederdracht, doch in die waarin men destijds Masaniello placht af te beelden, de Napolitaanse visverkoper die in 1647 een opstand tegen de Spaanse onderkoning geleid had, en toen vermoord was, dezelfde wiens geschiedenis, in de opera ‘Muette de Portici’ verwerkt, in 1830 de uiterlijke aanleiding tot de Belgische opstand zou worden. In tegenspraak hiermee zou zijn ‘caute’ zijn, het ‘voorzichtig’ op zijn zegel, maar afgezien hiervan, dat revolutionaire gezindheid en voorzichtigheid elkaar niet noodwendig uitsluiten, kan men, naar betoogd is, dit ‘caute’ ook anders opvatten en wel als ‘pas op’ – zij steken: de doorns namelijk, die als toespeling op zijn naam (Spinosus: de doornrijke) eveneens op dat zegel voorkomen”.

Copyright: Erik Tjallinks