10
jan
12

Aflevering 26 van J.G. Herder: “God” (een serie gesprekken over Spinoza)

NAWOORD

Tot zover de gespreksdeelnemers die, zoals het woord gesprek al aangeeft, elke lezer zijn oordeel laten, aangezien zij slechts onder elkaar, en niet voor anderen hun opvattingen uitwisselen en vormen.

Van oudsher zijn er twee typen filosofen geweest: filosofen uit overtuiging en filosofen uit overreding, zaak- en woordfilosofen. Van het eerste type, niet van het tweede, was Spinoza. Hij zegt: “Niemand die een waar idee heeft, is onwetend van de grootste zekerheid welke in een waar idee besloten ligt. Want het hebben van een waar idee betekent niets anders dan een zaak op de juiste en de best mogelijke wijze kennen. Aan zulk een zaak kan beslist alleen diegene twijfelen, die het  idee ziet als een stom schilderij aan de muur, en niet als een denkwijze, namelijk als het begrijpen zelf. Immers, zo vraag ik u, wie kan weten dat hij zeker van een zaak is zonder dat hij haar begrijpt?[1] Welnu, is er iets méér duidelijk en zeker als richtsnoer voor de waarheid, dan een waar idee? Werkelijk: zoals het licht zowel zichzelf als de duisternis laat zien, zo is de waarheid richtsnoer van zowel haarzelf als van het onderscheid met het onware[2]. – Ik pretendeer niet de beste filosofie te hebben uitgevonden, maar dat ik inzicht heb in de ware filosofie, dat weet ik. Vraagt u, hoe ik dat weet, dan antwoord ik: zoals ik weet, dat de som van de hoeken van een driehoek gelijk is aan die van twee rechte hoeken. Dat dit voldoende is, zal niemand met gezond verstand ontkennen.  Want wat waar is, toont zowel het ware als het onware[3].”  Een filosoof van dat slag heeft niets gemeen met dialectici, voor wie het poneren van de waarheid en het uit de weg ruimen ervan, om het even zijn, immers daar hebben zij slechts een paar woorden voor nodig.

Er is niets waaraan Spinoza zoveel moeite heeft besteed dan aan het strikt gescheiden houden van inzicht en begrijpen enerzijds, en verbeelding en dichten anderzijds. Hoe streng hij omgaat met de ficties van de verbeeldingskracht laat zijn “Theologisch-politiek traktaat” zien. Vele toelichtingen die hij geeft in zijn Ethica, vele van zijn brieven laten zien hoe precies hij weten van dromen onderscheidt, en ook in het weten de verschillende stadia van het weten, het kennen en het inzicht[4]. Het duidelijkst hierover is zijn traktaat “Over de verbetering van het verstand”[5], voor welks voltooiing men veel zou geven. Een filosoof van dit slag kon niets met begoochelingen van doen hebben, die ook in speculatieve veronderstellingen als schema’s worden losgelaten en rondzweven om het begrijpende, vattende, onderkennende verstand weg te voeren van zichzelf en op dwaalsporen rond te leiden.

“Te weten dat ik weet, moet ik noodzakelijkerwijze eerst weten. De manier waarop wij het formele weten ervaren, is de zekerheid zelf. Om zeker te zijn van het ware, heeft men geen ander teken nodig dan het teken dat men een waar idee heeft. En wat de grootste zekerheid is, kan slechts hij weten, die het volkomene idee van een zaak heeft. Zekerheid en het objectieve wezen van een ding zijn één en hetzelfde. Het is dus niet de ware methode om een teken van waarheid te zoeken nadat men ideeën heeft verkregen. De ware methode is veeleer de weg, de waarheid zelf, d.i. het objectieve wezen van de dingen of de ideeën (alle drie de namen betekenen één en hetzelfde) in passende ordening  te verkrijgen.  Noodzakelijkerwijze moet dus de methode spreken van het maken van verstandige gevolgtrekkingen of van de onderkenning door het verstand. Niet, dat de methode zelf het maken van gevolgtrekkingen (over het begrip van de oorzaken der dingen[6]) is, nog veel minder is zij het begrijpen van deze oorzaken zelf. Zij is het begrip van wat een waar idee is, omdat zij deze van andere voorstellingen onderscheidt en haar aard onderzoekt, zodat wij van daaruit ons vermogen tot begrijpen leren kennen en ons verstand zodanig beheersen, dat het volgens deze norm al het begrijpbare begrijpt. Tot dit doel verschaft de methode het verstand bepaalde hulpmiddelen en stelt het regels ervoor op, zodat het zich niet zal vermoeien met nutteloze arbeid. Methode is derhalve niets anders dan zelf-onderzoekende (reflexive) kennis[7], d.i. het idee van het idee. En zoals er geen idee van het idee kan zijn, tenzij er eerder een idee was, zo kan er ook geen methode zijn, als van tevoren het idee er niet is. Een goede methode zal dus die methode zijn, welke laat zien hoe volgens de norm van een gegeven waar idee het verstand geleid moet worden. En omdat de verhouding tussen twee ideeën één is met de verhouding tussen de formele wezens[8] van deze ideeën, volgt hieruit, dat de zelf-onderzoekende kennis van het idee van het meest volkomen wezen boven de zelf-onderzoekende kennis van alle overige ideeën voorrang moet krijgen. Hieruit wordt ook duidelijk dat, hoe meer het verstand begrijpt, het daardoor ook instrumenten verkrijgt om gemakkelijker en meer te begrijpen. Want (zoals uit hetgeen is gezegd, duidelijk is), vóór al het andere moet in ons een waar idee als een aangeboren werktuig bestaan. Door het begrip hiervan wordt tegelijkertijd het onderscheid begrepen tussen een dergelijke voorstelling (nl. aan waar idee – vert.) en elke andere. En omdat het vanzelf spreekt dat het verstand zichzelf des te beter begrijpt naarmate het meer dingen van de natuur begrijpt, dan ziet men dat dit deel van de methode meer volkomen zal zijn, naarmate het verstand meer dingen inziet, en dat de methode op zijn volkomenst moet zijn wanneer het verstand volgens de kennis van het meest volkomen wezen waarneemt of over zichzelf nadenkt. Hoe meer dingen het kent, hoe beter begrijpt het zijn krachten en de ordening van de natuur. Hoe beter het zijn krachten begrijpt, des te gemakkelijker kan het zichzelf ordenen en zich regels voorschrijven. Hoe  beter het de ordening van de natuur begrijpt, hoe makkelijker kan het zich onthouden van het nutteloze, waaruit, zoals we zeiden, de hele methode bestaat. Opdat ons verstand een zuivere afbeelding van de natuur zal zijn, moet het al zijn ideeën voort doen komen uit het idee, dat de oorsprong van de hele natuur weergeeft, zodat het ook bron van alle andere ideeën zal worden.”

Zo dacht Spinoza, en alle geesten  die in staat waren tot het hebben van ware ideeën, d.i. van begrip, en voor zover ze daartoe in staat waren, dachten zoals hij. Zij zagen af van mooipraterij en woordenspel. Begrepen begrippen zijn voor Spinoza het wezenlijke, levende en ware. Beeldspraak zegt hem niets, woorden gebruikt hij als algebraïsche tekens.

Wat het uiterlijke van zijn methode betreft: iedereen die getracht heeft te werken volgens de strenge synthetische methode, weet met hoeveel moeilijkheden ze gepaard gaat. Dikwijls hebben afzonderlijke onderdelen in de keten een bijzondere analyse en afleiding nodig, namelijk wanneer een dergelijk onderdeel niet direct volgt uit het voorafgaande.  Deze moeten met veel geduld opgesteld worden. Is men daartoe niet bij machte, dan moet het betreffende onderdeel ontkend of verworpen worden.

Onder alle naties waren er anderen die van eenheid en waarheid hielden, in de meest uiteenlopende wijzen van uitdrukken en voorstelling, d.i. bij wie het idee van de ene, ware, als norm van alle kennis en methode levendig was ingeprent. In hoeverre zij aan deze grootse en eenvoudige denkwijze deel hadden, zou onderwerp van een leerrijke, maar te ver voerende overzichtsstudie kunnen zijn. Joden en christenen, Grieken en Indiërs, speculanten met hoofd en hart, scholastici en mystici hadden er deel aan. Want Spinoza’s filosofie was lang vóór hem en zal lang na hem blijven. Dikwijls waren onder hen juist zij, die zich het felst tegen hem keerden, d.w.z. tegen zijn verkeerd begrepen of slecht gekozen uitdrukkingen streden. Zij wilden of moesten hun standpunt verklaren, in hun eigen minder  of beter  welgekozen uitdrukkingen van hun geloof, namelijk van het innerlijk geloof aan een enkele, levendig ervaren, aan alles ten grondslag liggend idee van het ware, goede en schone, zonder hetwelk al ons spreken en schrijven beuzelarij blijft.

_______________________________

Copyright: Erik Tjallinks


[1] Een verwijt aan degenen die dogma’s en stelregels verkondigen waarvan zij zeggen dat ze waar zijn, maar waarvan zij ook zeggen ze niet te begrijpen.

[2] (Noot van Herder) Ethica, P.II Prop. 43, Schol. P. 80.

[3] (Noot van Herder) Epist. 74, p. 612 – .

[4] (Noot van Herder) Bv. Ethica Prop. 40, 43, 44, 49 enz.

[5] (Noot van Herder) R 366 – 392.

[6] Haakjes van mij – vert. om de leesbaarheid te vergroten.

[7] “zelf-onderzoekende kennis: hiermee wordt uitgedrukt, dat “kennis” nooit “aangenomen” kennis is, maar kennis die voortkomt uit het weten dat het ware kennis is.

[8] “Formele wezens van ideeën”: vreemd klinkende omschrijving, maar geheel volgens de definitie die Spinoza van “wezen” geeft in zijn Ethica: “Ad essentiam alicujus rei id pertinere dico, quo dato res necessario ponitur et quo sublato res necessario tollitur; vel id, sine quo res, et vice versa, quod sine re nec esse nec concipi potest”. Het wezen van een ding is datgene zonder hetwelk het ding niet zou zijn wat het is, en zonder het ding waarvan het het wezen is, is het wezen ervan er ook niet. Het wezen van een waar idee is dus waarheid, welke zonder dit wezen geen waar idee zou zijn, maar zonder idee ervan zou er ook geen waarheid zijn. Omdat de waarheid er noodzakelijkerwijze is, is er noodzakelijkerwijze ook een idee van de waarheid. (gevolgtekking van mij – vert.)


0 Reacties tot “Aflevering 26 van J.G. Herder: “God” (een serie gesprekken over Spinoza)”



  1. Geef een reactie

Geef een reactie

Fill in your details below or click an icon to log in:

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log Out / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log Out / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log Out / Bijwerken )

Verbinden met %s


Follow

Get every new post delivered to your Inbox.