Archief voor januari, 2012

17
jan
12

Aflevering 27 van J.G. Herder: “God” (een serie gesprekken over Spinoza)

In verband met mogelijke publicatie in boekvorm is een aantal posts uit deze reeks afleveringen verwijderd. Ik hoop dat u hiervoor begrip kunt opbrengen. Geef u op als “volger” voor deze blog, of laat een comment achter, wanneer u op de hoogte gebracht wilt worden van de uitgave ervan. Dit kan nog enige tijd duren.

Hieronder volgt de eerste helft van dit voorwoord, in de vorige aflevering is het nawoord te lezen, waarna (in de omgekeerde volgorde van de tekst zelf) de onderdelen van de Gesprekken zelf. Nogmaals zij erop gewezen dat het een nog te herzien concept betreft.

VOORWOORD BIJ “GOD” DOOR HEINRICH DÜNKER, UITGEVER VAN “HERDERS’ WERKEN” (1879)

De gesprekken over God verschenen pas in 1787, maar de erin weergegeven zienswijze op Spinoza en op de verhouding van God tot de wereld had zich al in de ziel van de jongeling ontwikkeld en gevormd. In Riga evenwel stond Herder nog aan de zijde van de tegenstanders van de bijna algemeen als atheïst verketterde, doch eenvoudig grootse en puur edelmoedige man.  Dit maken wij op uit zijn uitlating in een ontwerp voor onderzoek naar het nuttig maken van de filosofie voor het volk: “Spinoza (en Cartesius) was de filosoof van een weefsel van ongelukkig geformuleerde hypothesen, Leibniz dichtte doeltreffender, en Wolff, de grote spreker van zijn ontdekker[1], gaf hem (Leibniz) de mathematische slagorde en wachtwoorden.” Maar hoe breder zijn gezichtsveld zich ging uitstrekken, hoe vrijer zijn zienswijzen zich vormden, en hoe onbevangener hij zich met Spinoza zelf bezighield, des te levendiger ontwikkelde zich bij hem de gedachte, hoe zeer men de schepper van de Ethica onrecht had aangedaan, wiens harde, grotendeels aan Descartes ontleende uitdrukkingen hem verdacht hadden gemaakt van ideeën welke haaks op de kern van zijn leer stonden. Reeds in 1775 of 1776 vatte hij het plan op om een boek te schrijven: “Parallellen in het driemanschap Spinoza, Shaftesbury en Leibniz”, waarin hij vergelijkenderwijs het wezen van hun natuurfilosofie wilde presenteren. Een geschrift “Over de filosofie”, die het 2de deel van het boek “Ook een filosofie van de geschiedenis der mensheid” (1774) moest gaan vormen, kwam niet tot stand. Spinoza’s invloed kwam tot uiting in de in 1778 verschenen verhandeling “Over het kennen en gewaarworden”. Pas de zomer van 1782 voerde hem terug naar zijn oude plan. Daartoe las hij Spinoza en Shaftesbury opnieuw door. Maar de spoedig intredende overweldigende zomerhitte ontnam hem elk vermogen tot aanhoudende arbeid, en zo kwam het ook deze keer niet tot uitvoering. Een bijzondere aanleiding om zich weer met Spinoza bezig te houden, gaf Jacobi hem, topen deze hem op 22 november 1783 een brief deed toekomen die hij aan Mendelssohn had geschreven. In deze brief kwam het gesprek aan de orde dat hij met Lessing over Spinoza had gevoerd. Bijgevoegd was een brief van Mendelssohn. Jacobi verzocht Herder zijn mening te geven, of zijn opmerkingen bij bepaalde passages die hem opvielen, in de kantlijn te noteren. Herder nam Spinoza opnieuw ter hand en sprak in de avonduren met Goethe over zijn zienswijze en die van Lessing en Jacobi. “Wij hebben over jou en Lessing gesproken”, schrijft Goethe op 30 december aan Jacobi. “Herder zal je wel geschreven hebben. Hij heeft zich een diepgaand inzicht in deze materie gevormd. Wij hebben nu goede avonden samen.” Toch was Herder dermate gespannen over de verdere ontwikkeling van zijn ideeën, en leed hij nog zozeer onder de hitte van de afgelopen zomer, dat hij pas op 6 februari Jacobi kon antwoorden.

“Sinds ik geestdrift heb opgevat voor de filosofie”, zo schreef hij, “ben ik steeds opnieuw de waarheid van Lessings’ (hem door Jacobi berichte) uitspraak onmder ogen gaan zien, dat eigenlijk alleen de spinozistische filosofie met zichzelf totaal één is. Niet, dat ik mij volledig in haar kan vinden, want ook Spinoza heeft in alles waarin Descartes te dicht bij hem stond, denk ik, on-ontwikkelde begrippen, ook nadat hij zich geheel had gevormd. Ik zou dus ook mijn stelsel nooit spinozistisch noemen; maar de zaadkorrels ervan liggen reeds in de bodem van de oudste van alle verlichte naties in dezelfde pure vorm.  Alleen is hij de eerste die het aandurfde om het op onze wijze in een systeem samen te brengen, waarbij hij het ongeluk had om juist de scherpste kanten en hoeken ervan te benadrukken, waardoor hij het bij joden, christenen en heidenen had verbruid. Mendelssohn heeft denk ik gelijk als hij zegt dat Bayle hem heeft misverstaan, in elk geval hebben de plompe gelijkenissen waarmee Bayle zijn beschrijving opsierde, bij hem veel schade aangericht. Zodoende ben ik van mening dat sinds Spinoza’s dood niemand het systeem van “En kai pan” (Grieks: “Één en alles” – vert.) recht heeft gedaan, ook Mendelssohn niet in de gesprekken over Spinoza.” Ook begreep Herder het door Jacobi berichte idee van Lessing niet aangaande de samentrekking van God in het individu van een verschijning, en verlangde er dus meer specifieke informatie over. Het “proton pseudos” (Grieks: “verkeerde voor-onderstelling”- vert.) in Jacobi’s denkwijze en dat van alle anti-Spinozisten lag volgens hem in de aanname dat “God, als het grote “Ens entium” (Latijn: “Zijnde der zijnden” – vert.), de in al zijn verschijnselen eeuwig doorwerkende oorzaak van hun wezen, een nul is, een abstract begrip,” terwijl Hij veeleer volgens Spinoza het meest werkelijke, meest werkzame Ene was, dat slechts tot zichzelf sprak: “IK ben die ik ben, en zal in alle veranderingen van mijn verschijning zijn, wat ik zal zijn.” Hij begint, zo schrijft hij, met de eeuwige stelregel “Quidquid est, illud est”[2]. Het begrip van deze stelregel had hij op zeer vruchtbare wijze ontwikkeld en het echt boven alle voorstellings- en denkwijzen aangaande afzonderlijke verschijnselen en boven beperkte ruimtelijke bestaansvormen verheven. Met betrekking tot de opvatting van een buiten de wereld staande God merkt Herder op: “Wanneer God niet in de wereld bestaat, overal in de wereld, bovendien zonder te kunnen worden gemeten, heel en ondeelbaar (want de hele wereld is slechts een verschijnsel van Zijn grootheid voor ons, verschijnende gestalten), dan bestaat Hij nergens. Buiten de wereld is geen ruimte, de ruimte wordt slechts, doordat hij voor ons een wereld wordt, een abstractie[3] van een verschijnsel.”

Nog voordat Jacobi antwoordde, schreef hij aan Goethe: “Herders’ filosofie lijkt veel gemeen te hebben met die van Wachter in het Elucidarium Cabbalisticum[4], hetgeen ik steeds al had vermoed en desondanks niet begreep; want ik ken niets treurigers dan dit systeem (de kabbalistiek – vert.). Een gericht oordeel over Herders’ Oorkonde[5] dat Lessing globaal kon inzien, is de voornaamste aanleiding geweest voor zijn nader contact met mij. Lessings’ “En kai pan” was consequenter. Herdert zou zich van deze dingen een diepgaand inzicht hebben gevormd, schreef je mij in januari. Diepgaand inzicht in deze dingen, hoe kan dat nu? Misschien met uitzondering van de vrijmetselaren!”

Pas op 30 juni wendde Jacobi zich tot Herder zelf. De wet van Lessing over de uitzetting en samentrekking van God is van Aziatische oorsprong, zo vond hij. “Als God zijn adem uitblaast, dan worden de dingen; ademt Hij in, dan vergaan ze. – Ook de gedachte van een wisselend inslapende en weer ontwakende God vindt men bij de oudste culturen in het Verre Oosten. Al deze voorstellingen komen noodzakelijk voort uit het begrip “En kai pan”. Dus wie op dit begrip religie bouwt, krijgt zulk een Godheid, vandaag de Europeanen net zo goed als duizenden jaren geleden de Aziaten.” Over meer punten wilde hij zich in een bijvoegsel bij zijn brief aan Mendelssohn nader verklaren. Herder leek voor hem Spinoza te willen verklaren, ongeveer zoals Wachter dat deed en verder nog menige goedwillende christen. Als men een onderscheid zou maken tussen het spinozisme en de leer van Spinoza, dan kon mogelijk daaruit een niet-atheïstische filosofie ontstaan, maar daar moest dan wel op gewacht worden.  Met Spinoza’s Ethica daarentegen is het geloof aan een Voorzienigheid, aan een plan met de wereld, aan een God die voor zichzelf een eigen bestaan heeft, die van Zichzelf in Zichzelf bewust is en niet slechts in het geschapene, en die, geheel aan het geschapene overgeleverd, slechts “ouden kai pan” (niets en alles – vert.) zou zijn, niet te rijmen.

In de 2de helft van september bezocht Jacobi Weimar, waar hij zijn contact met Goethe hernieuwde en zich vriendschappelijk tot Herder voelde aangetrokken. Het gesprek kwam ook op Spinoza, zonder dat men het over hem eens kons worden. Herder beloofde hem om spoedig met zijn “spinozisme” naar buiten te komen. Hij deed dat in de brief van 20 december:

“Ik ben bang, mijn beste, dat niet ik, maar jij je vergist is datgene wat Spinoza wil”, schreef hij. “Ik heb hem toen je weg was, weliswaar niet helemaal, maar hier en daar opnieuw gelezen, en mijn eerste indruk over hem is bevestigd. Zijn enige substantie is het Ens realissimum (“meeste werkelijke zijnde”), waarin zich alles wat waarheid, intens leven en bestaan is, verenigt, ja zelfs waardoor het slechts gedacht kan worden, en in alle verschijningsvormen van afzonderlijke dingen, als modificaties van het hoogste, oneindig intense bestaan, worden deze attributen slechts denkbaar voor zover elk van Zijn natuur is, en de Enig Bestaande blijvend erin woont. Maak mij dus van het Wezen geen abstract begrip, dat er alleen maar ís, terwijl ik slechts een klein groen twijgje ben op deze eeuwige en oneindige wortelstam van de boom des levens. God is weliswaar buiten jou, en werkt naar, in, en door alle schepselen (de buiten-wereldlijke God ken ik niet); maar wat moet je met God, als Hij niet in jou is en jij Zijn bestaan niet op oneindig intense manier voelt en proeft, en Hij zichzelf ook in jou als in een orgaan te midden van duizend miljoen organen geniet? Jij wilt God in mensengedaante, als een vriend die aan je denkt. Bedenk, dat Hij dan ook menselijk, d.i. ingeperkt, aan jou moet denken, en wanneer hij voor jou partij kiest, Hij dat dan tegen anderen moet zijn. Zeg mij, waarom is Hij in mensengedaante voor jou nodig? Hij spreekt al tegen je, hij werkt al op je in vanuit alle edele mensengestalten die Zijn organen waren, en het meest door het orgaan der organen, het hart van de geestelijke schepping, Zijn enig-geborene. Maar ook door Hem slechts als door een orgaan, in zoverre Hij een sterfelijk mens was, en om ook in Hem de Godheid te ervaren, moet je ook zelf mens van God zijn, d.wz. er moet iets in je zijn dat Zijn natuur deelachtig kan worden. Je ervaart dus God steeds slechts door je innerlijkste zelf, en zo is Hij als bron en wortel van het meest geestelijke, eeuwige bestaan onveranderlijk en onuitroeibaar in jou aanwezig. Dit is de leer van Christus en Mozes, van alle apostelen, wijzen en profeten, slechts verschillend geformuleerd al naar gelang de tijd en de diepgang van kennis en belevingskracht van eenieder. Wanneer Gods vrede in het hart van een individueel  wezen aanwezig is aan wie Hij, hoger dan alle verstand, deelachtig wordt, hoe oneindig veel hoger moet Hij verheven zijn boven alle denkkracht en gemoedsbewegingen van alle individuele wezens, in diegene, die het hart van alle harten, het hoogste begrip van alle individuele voorstellingswijzen en de innigste beleving van alle soorten belevingen is, die in Hem bron, som, doel en middelpunt vinden. Wanneer je mij dit innigste, hoogste, alles in één houdende begrip tot een lege naam maakt, dan ben jij een a-theus (god-loze), en niet Spinoza. Bij hem is Hij het Wezen der wezens, Jehova. Zie je, daar ben je nogmaals een ketter, en dat is wat ik wilde[6]. Ik hou er meteen mee op en zeg: “quod erat demonstrandum[7]” – nee, veeleer, beste vriend, wens ik dat je zijn Ethica nog een keer in deze zin doorleest. Stoor je niet aan de cartesiaanse inkleding, die immers slechts woorden zijn, maar bedenk wat hij, zij het op een mogelijk aanstootgevende manier, zeggen wil. Wanneer hij bijvoorbeeld wil, dat God boven alle voorstellingswijzen, gedachten, neigingen, wilsbewegingen enz. verheven is, is dat dan niet de allernoodzakelijkste, hoogste waarheid? Hoewel Hij deze wel allemaal bezit in alle schepselen als Zijn modificaties – anders kon deze Hij immers niet zo innig begrijpen, liefhebben en in hen  doorwerken als Hij nu doet , desondanks in Zichzelf, als het Ene aller enigheden, krachten en ruimten, de zaligste rust genietend. Ik moet je bekennen dat deze filosofie mij zeer gelukkig maakt. Kon ik maar mijn meest innerlijke zintuig openen, om haar helemaal en op haar zuiverst te doorleven! Ik wens jou hetzelfde toe, want zij is de enige die alle voorstellingswijzen en systemen verenigt. Goethe heeft sinds jij weg was Spinoza gelezen, en het is een belangrijke toetssteen voor mij om te zien of hij hem helemaal zo begrepen heeft als ik hem begrijp. Jij moet je ook bij ons voegen.”

Nadat Jacobi op 24 april 1785 het ontwerp van zijn geschrift “Over de leer van Spinoza” naar Herder en Goethe had gestuurd, namen beiden ruim de tijd voor hun antwoord.  Herder noteerde in een bijlage verschillende zakelijke bedenkingen, waarvan wij de voornaamste hieronder weergeven (in de loop van de beknopte weergave van de inhoud van Jacobi’s  brief – vert.)..

Spinoza zou geen begrip hebben van het worden, het niet-geworden zijn, het ontstaan en het niet-ontstaan zijn. Zijn hele systeem zou zo zijn opgebouwd, dat deze duistere woorden erin ontbreken. “Zijn” is bij hem het eerste en het laatste. Ook het veranderlijke, eindige, tijdelijke zouden bij hem geen belangrijke begrippen zijn, maar slechts begrippen a posteriori[8], evenals de begrippen “bij Hem” en “buiten Hem zijn”.  (Hierna de losse opmerkingen van Herder – vert.) – “De reële grond van al het denken is in God en is Hem eigen op de hoogste wijze; alleen niet in een voorstellingswijze van zomaar een individu. – Alle voorstellingswijzen van alle dingen zijn schaduwen tegenover de oerkracht van het denken in God, zodat ten diepste en uiteindelijk alleen Hij denkt. – Vermomd heeft Spinoza niets. Waar zijn uitdrukkingen ons ongepast voorkomen, ontstaan ze voor hem uit het voor hem te nabije, destijds gebruikelijke cartesiaans taalgebruik.  – De afzonderlijke, veranderlijke dingen zijn “modi”[9]. Dat kan Spinoza zo droog niet hebben opgemerkt. Modi van God zijn het, d.w.z. van het oneindige Zijn, als uitbreiding beschouwd. Hier vertoont zijn systeem barsten, omdat Descartes uitbreiding en lichaam als één zag. Maar men moet hem weergeven zoals hij is. Uit hetgeen volgt blijkt, dat de lichamelijke dingen “modi modorum” zijn (bestaanswijzen van bestaanswijzen – vert.), zij zijn echter “modi” van het in hen wonende oneindige attribuut zelf. Uit beweging en rust wordt geen lichaam; zij kunnen ook niet zijn wezenlijke vorm zijn, noch zijn eerste a priori. Dat de “natura naturata[10]” een oneindige wil toekomt, is wel te verklaren, ik betwijfel echter of Spinoza dat zegt.”

Eigenlijk vond Herder dat Jacobi Spinoza’s systeem op de juiste wijze had weergegeven. Enkele dagen later schreef Goethe aan zijn Pempelforter vriend:  “Daarover zijn wij (Herder en ik) het eens, en wel meteen nadat we er kennis van hadden genomen, dat het idee dat jij geeft van Spinoza, dichter in de buurt zal komen van het idee dat wij van hem hadden gekregen, indien wij ook je mondelinge toelichting konden vernemen, en ik geloof dat wij in gesprek volledig tot elkaar zullen komen. . Je ertkent de hoogste realiteit, welke de grondslag is van het hele spinozisme en waarop al het obverige rust, waaruit al het overige voortvloeit. Hij bewijst niet het bestaan van God, het bestaan ís God, en als anderen hem om de reden voor een a-theus (godloze – vert.) uitmaken, dan zou ik hem prijzend theissimus (zeer in God gelovend – vert.) noemen.. – Vergeef mij dat ik zo graag zwijg wanneer sprake is van een goddelijk Wezen, dat ik slechts ken uit de rebus singularibus (afzonderlijke dingen – vert.). Tot het opwekken om dit te benaderen en dieper te beschouwen, is niemand beter in staat dan Spinoza zelf, hoewel voor zijn blik alle afzonderlijke dingen lijken te verdwijnen. Ik kan niet zeggen dat ik ooit de geschriften van deze markante persoon met een zodanige regelmaat heb gelezen, dat het gebouw van zijn gedachten mij ooit volledig overzichtelijk voor de geest heeft gestaan. Mijn voorstellings- en levenswijze laten dat niet toe. Maar als ik bij mezelf te rade ga, geloof ik dat ik hem begrijp, d.w.z. voor mij is hij nooit met zichzelf in tegenspraak, en ik kan voor mijn zinnen en handelen zeer heilzame invloeden uit hem putten. Daarom valt het mij moeilijk om wat jij over hem zegt, met hemzelf te vergelijken. Taal en gedachte zijn bij hem zo innig verbonden, dat wanneer men niet zijn eigen woorden gebruikt, men voor mij iets totaal anders zal zeggen.”

In september stuurde Jacobi zijn inmiddels gedrukte brieven die hij aan Mendelssohn had geschreven “Over de leer van Spinoza” aan zijn vrienden in Weimar. “Je hebt mij met je brief en boek veel plezier gedaan.” antwoordt Herder op de 16de. “Het laatstgenoemde heeft veel aan eenheid gewonnen, en bij de conclusies, welke ik in het manuscript nog niet gelezen had, heeft je genius als een weldoende, goede geest om mij heen gezweefd. De verontwaardiging over het spinozisme heeft nu vorm gekregen. Laat eens zien, hoe Mendelssohn tegen hem zal ingaan[11].  Je bent, alles bijeen, een ware, rechtgelovige christen; want je hebt een buiten-wereldlijke God, zoals het hoort, en je hebt je ziel gered. Ook heb je met je axioma “spinozisme is atheïsme” een paal geslagen die ieder die dat wil, omver mag lopen. Ik meng mij op voorhand hier niet in, en blijf met mijn Spinoza, Shaftesbury en Leibniz thuis”.

Zijn belofte om later meer over het boek te zeggen, kwam hij niet na. Onder degenen die door toedoen van deze brief tegen Jacobi uitvielen, bevond zich ook de vriend van Mendelssohn, Jacobi en Herder, de licht ontvlambare Gleim. Deze schreef op 10 november aan Herder:

“Met Jacobi’s schrijfsel over het spinozisme kan mijn Herder niet tevreden zijn; de goede man heeft onze Lessing niet gekend. Het ergert mij slechts, dat Göze … zich zal verheugen.” De reeds ziekelijke Mendelssohn stierf spoedig na voltooiïng van zijn boekwerkje tegen Jacobi[12], waarin hij met volstrekt onjuiste beweringen tegen hem van leer trok: “Aan de vrienden van Lessing”. Hierdoor werden diens vrienden, die de arme Jacobi van zijn dood de schuld gaven[13], tot de bitterste woede gebracht. “Je zult wel weten dat Mendelssohn dood is”, schreef Herder op 15 januari aan Jacobi. “Alle vetes zullen nu afgelopen zijn. Hij is op de 4de in het harnas gestorven en ik wilde dat zijn opstel (tegen Jacobi – vert.) niet voltooid was. Met doden te strijden is altijd onaangenaam. De godin heeft hem weggerukt en mogelijk weet hij, maar mogelijk weet hij ook nu nog niet, waar hij aan toe is. Mij heeft zijn dood getroffen, en dubbel getroffen, omdat ik sinds enige tijd met louter monumenten van de dood leef. Ach, wij arme schaduwen op aarde! En tot waar verstout zich de filosofie van onze dromen? “ Aan Gleim schreef hij op 17 februari: “Over Spinoza hebt u uw tevredenheid betuigd. Mendelssohn heeft zijn testament goed opgesteld, en uit wat Lessing ook in dit gesprek heeft gezegd, namelijk dat Jacobi slechts uit nood heeft gepubliceerd, tenminste zoals hij dat zag, valt niets dan goeds op te maken. Tegen Jacobi zegt u maar wat u wilt, als u maar niets tegen mij over Spinoza zegt. Ik ben spinozist ondanks Lessing en was zo blij als een kind toen ik hier zo onverwachts mijn broeder in de geest vond. O, was ik maar bij u geweest toen hij u voor de laatste keer een bezoek bracht en hij alle (door Jacobi berichte) godslasteringen uitsprak! God hebbe zijn ziel, de goede dappere theoloog. Als ik wist hoe, dan zou ik hem de doctorshoed in de filosofie en theologie nazenden.”

De verdediging van Jacobi “Tegen Mendelssohn’s beschuldigingen”, waarin hij de tegen hem gerichte verwijten met besliste argumenten gerugkaatste naar zijn tegenstander, en zich een edelmoedige vriend en grondig kenner van Lessing betoonde, vond ook Herder “dapper”, hoe weinig hij ook ophad met zullke persoonlijke twisten. “Je moest deze bladzijden schrijven, dat zie ik en verwachtte ik”, schreef Goethe, op wie het “Joodse Nieuwste Testament” zo’n kleingeestige en armzalige indruk had gemaakt, dat hij het niet kon uitlezen. “Alleen had ik graag gezien, dat de species facti (feitelijke omstandigheden) eenvoudiger waren gepresenteerd. Al het hartstochtelijke erin kasn ik niet billijken, en de vele bij- en aanhangsels doen ook geen goed wanneer men strijdt.”

Jacobi was ondertussen door praatjes over hem ontstemd geraakt tegen Herder, wat deze tot de ontboezeming bracht: “Wie heeft jou gezegd, dat ik met jou niets te maken wil hebben? Als het Reichardt[14] is geweest, zoals ik vermoed, dan is het ellendige kletspraat, die misschien wel bij hem past omdat hij zich graag overal mee bemoeit, maar niet bij jou, als je die praatjes gelooft. Na lang aandringen dwong hij mij ertoe om hem mijn gedachten over het hele dispuut kenbaar te maken. Dat hij deze gedachten heel goed moet hebben begrepen[15], merkte ik toen hij op de voorlaatste avond als een trouw volgeling van een bepaalde filosofie luid en duidelijk verkondigde, dat hij zonder christelijke godsdienst, d.w.z. anders dan zich verlatend op het woord van Christus, geen begrip van God had. Metafysisiche klankkasten van deze aard moet men niet nodig hebben als vertolkers van voor hen vreemde overdenkingen, hoe goed ze het ook verder mogen bedoelen. Wat ik denk, heb ik jou zelf gezegd. Mijn ja is ja en mijn nee is nee.

Nadat Herder begin 1787 het derde deel van zijn “Ideeën” voltooid had, voelde hij een behoefte opkomen om zijn filosofische zienswijze op het wezen van de Godheid in vrije gesprekken gestalte te geven, die uitsluitend als uitgangspunt de nog steeds voor atheïst uitgemaakte Spinoza moesten hebben. Waarschijnlijk gebruikte hij daarvoor vroegere aantekeningen, die hij naar het schijnt, ooit aan Knebel had laten lezen. Rosenkranz doet Herder veel onrecht aan met zijn bewerking dat Herder door zijn ergernis jegens Kant (van wie in deze gesprekken enkele keren sprake is) ertoe gekomen is zich op Spinoza te werpen nadat deze hem door Jacobi weer onder de aandacht was gebracht, waardoor hij er ook toe gekomen zou zijn de Gesprekken de verbluffende titel “God” te geven. Reeds eind 1787 moet een groot deel van de Gesprekken voltooid zijn geweest, aangezien Knebel op 2 maart op een “pas” op de dag daaraan voorafgaand ontvangen brief van Herder antwoordt:

“Maakt u mij spoedig gelukkig door mij van uw publicatie over Spinoza te vertellen.” Spoedig daarop ontving hij het voltooide manuscript, dat hij op de 18de met serieuze opmerkingen terugstuurde. De twijfel van Herder, of het geschrift het “Imprimatur”[16] zou verkrijgen, vond hij ongegrond., aangezien het geheel zo voortreffelijk was afgerond, dat uit de naar voren gebrachte meningen en in het bijzonder de leer van Spinoza, niets verderfelijks kon worden afgeleid. Over de vergelijking met de “grote hemelhond”[17] in zijn verhouding tot de aardse hond merkte Knebel op, dat het hem tegenstond om deze zomaar te verwerpen, hetgeen dus vroeger (in de tijd van Spinoza – vert.) zeer zeker moest zijn gebeurd. “weliswaar heeft het op het eerste gezicht iets platvloers”, zei hij, “maar dit platvloerse hoort bij de grootse voorstelling. Juiste proporties kunnen hier niet worden toegepast, er moest dus naar een vergelijking worden gezocht die slechts in de voorstelling enige gelijkenis toonde.Geen betere dan deze kan worden verzonnen om ons aan te duiden hoe men zich van een Wezen een voorstelkling zou kunnen maken waarvan toch geen voorstelling te maken is. Alleen de kleinheid en kortzichtigheid van de mens maakt dat dit een hond wordt. Overigens wilde Spinoza nog wel deze gelijkenis gebruiken om op de wezenlijke volmaaktheid van God in al Zijn delen te duiden. Onze beste theologische praktijk is dus ook wel steeds, dit hemelse Gesternte[18]  een naam en gestalte te geven..” Herders’ weerzin tegen de stichtelijke boeken over “fysio-theologie” had hem goed gedaan[19].  “Ik weet het niet”, zo schrijft hij verder, ”maar Lessings’ begrippen lijken mij wat onevenwichtigs te hebben. Mogelijk zijn ze slechts uit een discussie voortgekomen, en is hij pas later achter de waarheid gekomen. De lange omweg moge hem de literatuur, die daarvan heeft geprofiteerd, belonen. Ik geloof dat ook Jacobi vrede met hem kan hebben. In elk geval heeft u hem bijgelicht door het woud waarin hij ronddwaalt.” Op zijn demonstratie[20] schreef hij niet te kunnen ingaan, ofschoon ze hem plausibel toeleek en zijn gevoel dicht benaderde. Verstand, bij de mens het onderscheid tussen goed en kwaad, tussen het ware en het onware, kon hij zich bij God niet indenken; een slechts “kennend”[21] verstand ontbeert het denkbare van de verbinding, dat uit het eraan tegengestelde onverstand ontstaat, zoals een schilderij ontstaat uit licht en schaduw. Nieuw was voor hem de vernietigende kritiek op het begrip van de Wereldziel[22]. Waaraan hij lang had vastgehouden. Het kon niet standhouden, en de vergelijking met de menselijke ziel was onterecht, daar deze opwaardering tot de gevoeligheid van zulk een ziel niet goed denkbaar was, en ook geen duidelijke basis in de natuur vond. “Ik stel mij in uw Vijfde Gesprek op als Theano[23] en deel haar bekentenis, alhoewel ik zonder twijfel ver beneden haar niveau ben. “Deus in nobis[24] is heel goed gezegd en komt voor mij voor elk bewijs in de plaats. Voor ieder een andere, naar zijn aard en wijze, ieder naar zijn aard kenbaar, voelend, straffend, belonend. Mag ik zeggen dat ik tijdens het lezen had gewild dat de gesprekken hier en daar wat kalmer aan hadden kunnen verlopen?[25] Maar misschien zou dit het uiteindelijke doel geen goed hebben gedaan.

Copyright: Erik Tjallinks

___________________________________________________________________________


[1] Nl. Leibniz.

[2] “Quidquid est, illud est”: “Alwat is, dat is het”, waarmee wordt aangeduid: ‘Al het worden is een aankomst van het individu op de plaats die de natuur het toewijst in haar trapsgewijze opbouw (“Stufenbau”), en die zijn hele nageslacht ter wereld brengt. Dit bepaalt zijn weten: “Ik word wat ik ben”. (J.G. Herder, Wolfgang Pross: Herder’s Werke, Hanser Verlag, 1984, p. 942.). Hiermee wordt bedoeld dat het Opperwezen doorwerkt in elk individu, dat op zijn beurt zijn eigenschappen doorgeeft aan al hetgeen na hem komt en zodoende  integraal onderdeel uitmaakt van de manifestatie van het Ene onveranderlijke, oneindige Opperwezen.

[3] Abstractie hier te verstaan als “samenvattend begrip van zintuiglijk waarneembare dingen” , zoals ook het begrip “boom” een abstractie is.

[4] Waarin getracht wordt Spinoza’s filosofie terug te voeren op de kabbalistiek.

[5] J.G. Herder: Älteste Urkunde des Menschengeschlechts .

[6] Ironisch bedoeld.

[7] “Quod erat demonstrandum”, meestal afgekort to q.e.d.: term uit de wiskunde, die volgt op de bewijzende uitspraak op een te bewijzen stelling, na de analyse die tot het bewijs voert. Spinoza gebruikt haar zeer dikwijls in zijn Ethica.

[8] A posteriori: achteraf toegevoegd om het geheel sluitend te maken.

[9] Door Van Suchtelen (in zijn vertaling van de Ethica) vertaald als: “bestaanswijzen”.

[10] “natura naturata”: “de wereld zoals door God geschapen (incl. God zelf)” tegenover: “natura naturans”: “het Goddelijke deel van de wereld, de uiteindelijke Oorzaak en Beginsel ervan. (Buiten “de wereld” of “de natuur” is er in de visie van Spinoza niets).

[11] Duits: “Lass sehen, wie Mendelssohn ihn steuert”. Deze briefwisseling is beroemd geworden onder de naam “Pantheismusstreit” (strijd over het pantheïsme). De biografie van Moses Mendelssohn op de website van de European Graduate School (http://www.egs.edu/library/moses-mendelssohn/biography/) vermeldt hierover: Spoedig na dit intensieve en radicale debat raakte Mendelssohn verwikkeld in een nieuwe controverse, bekend als de zg. “Pantheismusstreit”. Na de dood van Lessing in 1781 wilde Mendelssohn een boek schrijven over het werk van zijn grote vriend. (Mendelssohn stond model voor “Nathan der Weise” in het gelijknamige beroemde toneelstuk van Lessing – vert.). Toen de filosoof Friedrich Heinrich Jacobi hiervan hoorde, beschuldigde hij Lessing ervan een spinozist te zijn, wat leidde tot een brieventwist tussen Jacobi en Mendelssohn. Laatstgenoemde koos ervoor een reeks verhandelingen te schrijven om Lessing te verdedigen, waaronder “Morgen-uren of lezingen over het bestaan van God”, waarin hij zijn uitleg van Spinoza uiteenzette en trachtte aan te tonen dat Lessing een hervormd pantheïsme voor ogen stond. Precies een maand voor de “Morgen-uren” verscheen, publiceerde Jacobi uittreksels van hun correspondentie als “Over de leer van Spinoza in brieven aan de heer Moses Mendelssohn”, waarin hij Lessing ervan beschuldigde pantheïst te zijn in de zin van atheïst. Onmiddellijk hierop kreeg Mendelssohn ernstige aanvallen te verduren, eveneens van vroegere collega’s en vrienden zoals Herder en Hamann, aan wie hij antwoordde met de brief “Aan de vrienden van Lessing: een bijlage bij de heer Jacobi’s briefwisseling over de leer van Spinoza”. (Uit deze beschrijving blijkt hoezeer Mendelssohn klem zat tussen enerzijds de “Spinoza-sympathisanten” en anderzijds de “orthodoxe christenen”. Beide kampen mochten hem graag, – hij stond in zijn tijd op gelijk niveau met, zo niet boven Immanuel Kant, voor wie hij na zijn dood qua populariteit het veld moest ruimen – maar vooral Jacobi en Lavater konden niet verkroppen dat hij sympathie had voor “verlicht pantheïsme”, en orthodox Jood wenste te blijven (ook van die kant zal hij wel de nodige kritiek hebben ontvangen – E.T.).

[12] Zie bovenstaande noot, bedoeld wordt de brief “Aan de vrienden van Lessing”.

[13] Over de doodsoorzaak van Mendelssohn vermeldt bovengenoemde biografie, dat hij in zijn haast om het manuscript bij de uitgever te bezorgen, hij zijn jas vergat en een flinke kou vatte. Daarbij kwam, dat hij al sukkelde met zijn gezondheid.

[14] (noot van Dünker): De Berlijnse kapelmeester (de verantwoordelijke voor alle muziek en zang in een kerk – vert.) die op doorreis naar Londen in de herfst van 1785 in Weimar verbleef.

[15] Sarcastisch bedoeld.

[16] Imprimatur = “laat het gedrukt worden”: toestemming van een gezagsdrager (vorst of bisschop) om een werk te laten drukken en uitgeven. Nog steeds gebruikelijk voor R.K. geschriften die op een of andere wijze met het R.K. geloof in verband staan.

[17] Bedoeld wordt de passage waarin Spinoza wordt aangehaald, die zegt dat de gedachten van God net zo weinig te vergelijken zijn met menselijke wijzen van voorstellen, als het sterrenbeeld “Hond” te vergelijken is met een hond op aarde.

[18] Waarschijnlijk wordt hier de Godheid bedoeld.

[19] Refererend aan een passage waarin deze weerzin tot uiting komt (vanwege de prekerige, niet op het zoeken van waarheid gerichte verhandelingen daarin).

[20] Verwijst naar een passage in de Gesprekken waarin een demonstratie wordt gegeven van het verstand of rede (“Vernunft”) van het Opperwezen met behulp van in de schepping te ontwaren meetkundige wetten.

[21] Wij zouden zeggen: “cognitief”.

[22] De “Ziel van de wereld” was een vaker gebruikte metafoor in die tijd om God aan te duiden. Herder echter vond in zijn Gesprekken dat een ziel teveel analogie vertoonde met de menselijke twee-eenheid “lichaam en ziel”, en onvoldoende of helemaal niet de doordrongenheid weergaf waarmee alles van God vervuld was. Zo weinig bv. als de menselijke ziel geheel en al in iemands pink aanwezig kan zijn, zo veel is God in elk klein onderdeel van Zijn schepping aanwezig, zonder dat overigens welk onderdeel van de schepping dan ook, zelf deel van God kon zijn.

[23] Gespreksdeelneemster in het Vijfde Gesprek.

[24] “God (is, zij) in ons”

[25] Slaat op de inderdaad soms wat wijdlopige, geëmotioneerde voordrachten van vooral de gespreksdeelnemer Theophron, in wie Herder zijn eigen enthousiaste opvattingen in de mond legt. Deze stijl zien we ook in de brieven aan Jacobi terug waaruit in dit voorwoord wordt geciteerd,

10
jan
12

Aflevering 26 van J.G. Herder: “God” (een serie gesprekken over Spinoza)

NAWOORD

Tot zover de gespreksdeelnemers die, zoals het woord gesprek al aangeeft, elke lezer zijn oordeel laten, aangezien zij slechts onder elkaar, en niet voor anderen hun opvattingen uitwisselen en vormen.

Van oudsher zijn er twee typen filosofen geweest: filosofen uit overtuiging en filosofen uit overreding, zaak- en woordfilosofen. Van het eerste type, niet van het tweede, was Spinoza. Hij zegt: “Niemand die een waar idee heeft, is onwetend van de grootste zekerheid welke in een waar idee besloten ligt. Want het hebben van een waar idee betekent niets anders dan een zaak op de juiste en de best mogelijke wijze kennen. Aan zulk een zaak kan beslist alleen diegene twijfelen, die het  idee ziet als een stom schilderij aan de muur, en niet als een denkwijze, namelijk als het begrijpen zelf. Immers, zo vraag ik u, wie kan weten dat hij zeker van een zaak is zonder dat hij haar begrijpt?[1] Welnu, is er iets méér duidelijk en zeker als richtsnoer voor de waarheid, dan een waar idee? Werkelijk: zoals het licht zowel zichzelf als de duisternis laat zien, zo is de waarheid richtsnoer van zowel haarzelf als van het onderscheid met het onware[2]. – Ik pretendeer niet de beste filosofie te hebben uitgevonden, maar dat ik inzicht heb in de ware filosofie, dat weet ik. Vraagt u, hoe ik dat weet, dan antwoord ik: zoals ik weet, dat de som van de hoeken van een driehoek gelijk is aan die van twee rechte hoeken. Dat dit voldoende is, zal niemand met gezond verstand ontkennen.  Want wat waar is, toont zowel het ware als het onware[3].”  Een filosoof van dat slag heeft niets gemeen met dialectici, voor wie het poneren van de waarheid en het uit de weg ruimen ervan, om het even zijn, immers daar hebben zij slechts een paar woorden voor nodig.

Er is niets waaraan Spinoza zoveel moeite heeft besteed dan aan het strikt gescheiden houden van inzicht en begrijpen enerzijds, en verbeelding en dichten anderzijds. Hoe streng hij omgaat met de ficties van de verbeeldingskracht laat zijn “Theologisch-politiek traktaat” zien. Vele toelichtingen die hij geeft in zijn Ethica, vele van zijn brieven laten zien hoe precies hij weten van dromen onderscheidt, en ook in het weten de verschillende stadia van het weten, het kennen en het inzicht[4]. Het duidelijkst hierover is zijn traktaat “Over de verbetering van het verstand”[5], voor welks voltooiing men veel zou geven. Een filosoof van dit slag kon niets met begoochelingen van doen hebben, die ook in speculatieve veronderstellingen als schema’s worden losgelaten en rondzweven om het begrijpende, vattende, onderkennende verstand weg te voeren van zichzelf en op dwaalsporen rond te leiden.

“Te weten dat ik weet, moet ik noodzakelijkerwijze eerst weten. De manier waarop wij het formele weten ervaren, is de zekerheid zelf. Om zeker te zijn van het ware, heeft men geen ander teken nodig dan het teken dat men een waar idee heeft. En wat de grootste zekerheid is, kan slechts hij weten, die het volkomene idee van een zaak heeft. Zekerheid en het objectieve wezen van een ding zijn één en hetzelfde. Het is dus niet de ware methode om een teken van waarheid te zoeken nadat men ideeën heeft verkregen. De ware methode is veeleer de weg, de waarheid zelf, d.i. het objectieve wezen van de dingen of de ideeën (alle drie de namen betekenen één en hetzelfde) in passende ordening  te verkrijgen.  Noodzakelijkerwijze moet dus de methode spreken van het maken van verstandige gevolgtrekkingen of van de onderkenning door het verstand. Niet, dat de methode zelf het maken van gevolgtrekkingen (over het begrip van de oorzaken der dingen[6]) is, nog veel minder is zij het begrijpen van deze oorzaken zelf. Zij is het begrip van wat een waar idee is, omdat zij deze van andere voorstellingen onderscheidt en haar aard onderzoekt, zodat wij van daaruit ons vermogen tot begrijpen leren kennen en ons verstand zodanig beheersen, dat het volgens deze norm al het begrijpbare begrijpt. Tot dit doel verschaft de methode het verstand bepaalde hulpmiddelen en stelt het regels ervoor op, zodat het zich niet zal vermoeien met nutteloze arbeid. Methode is derhalve niets anders dan zelf-onderzoekende (reflexive) kennis[7], d.i. het idee van het idee. En zoals er geen idee van het idee kan zijn, tenzij er eerder een idee was, zo kan er ook geen methode zijn, als van tevoren het idee er niet is. Een goede methode zal dus die methode zijn, welke laat zien hoe volgens de norm van een gegeven waar idee het verstand geleid moet worden. En omdat de verhouding tussen twee ideeën één is met de verhouding tussen de formele wezens[8] van deze ideeën, volgt hieruit, dat de zelf-onderzoekende kennis van het idee van het meest volkomen wezen boven de zelf-onderzoekende kennis van alle overige ideeën voorrang moet krijgen. Hieruit wordt ook duidelijk dat, hoe meer het verstand begrijpt, het daardoor ook instrumenten verkrijgt om gemakkelijker en meer te begrijpen. Want (zoals uit hetgeen is gezegd, duidelijk is), vóór al het andere moet in ons een waar idee als een aangeboren werktuig bestaan. Door het begrip hiervan wordt tegelijkertijd het onderscheid begrepen tussen een dergelijke voorstelling (nl. aan waar idee – vert.) en elke andere. En omdat het vanzelf spreekt dat het verstand zichzelf des te beter begrijpt naarmate het meer dingen van de natuur begrijpt, dan ziet men dat dit deel van de methode meer volkomen zal zijn, naarmate het verstand meer dingen inziet, en dat de methode op zijn volkomenst moet zijn wanneer het verstand volgens de kennis van het meest volkomen wezen waarneemt of over zichzelf nadenkt. Hoe meer dingen het kent, hoe beter begrijpt het zijn krachten en de ordening van de natuur. Hoe beter het zijn krachten begrijpt, des te gemakkelijker kan het zichzelf ordenen en zich regels voorschrijven. Hoe  beter het de ordening van de natuur begrijpt, hoe makkelijker kan het zich onthouden van het nutteloze, waaruit, zoals we zeiden, de hele methode bestaat. Opdat ons verstand een zuivere afbeelding van de natuur zal zijn, moet het al zijn ideeën voort doen komen uit het idee, dat de oorsprong van de hele natuur weergeeft, zodat het ook bron van alle andere ideeën zal worden.”

Zo dacht Spinoza, en alle geesten  die in staat waren tot het hebben van ware ideeën, d.i. van begrip, en voor zover ze daartoe in staat waren, dachten zoals hij. Zij zagen af van mooipraterij en woordenspel. Begrepen begrippen zijn voor Spinoza het wezenlijke, levende en ware. Beeldspraak zegt hem niets, woorden gebruikt hij als algebraïsche tekens.

Wat het uiterlijke van zijn methode betreft: iedereen die getracht heeft te werken volgens de strenge synthetische methode, weet met hoeveel moeilijkheden ze gepaard gaat. Dikwijls hebben afzonderlijke onderdelen in de keten een bijzondere analyse en afleiding nodig, namelijk wanneer een dergelijk onderdeel niet direct volgt uit het voorafgaande.  Deze moeten met veel geduld opgesteld worden. Is men daartoe niet bij machte, dan moet het betreffende onderdeel ontkend of verworpen worden.

Onder alle naties waren er anderen die van eenheid en waarheid hielden, in de meest uiteenlopende wijzen van uitdrukken en voorstelling, d.i. bij wie het idee van de ene, ware, als norm van alle kennis en methode levendig was ingeprent. In hoeverre zij aan deze grootse en eenvoudige denkwijze deel hadden, zou onderwerp van een leerrijke, maar te ver voerende overzichtsstudie kunnen zijn. Joden en christenen, Grieken en Indiërs, speculanten met hoofd en hart, scholastici en mystici hadden er deel aan. Want Spinoza’s filosofie was lang vóór hem en zal lang na hem blijven. Dikwijls waren onder hen juist zij, die zich het felst tegen hem keerden, d.w.z. tegen zijn verkeerd begrepen of slecht gekozen uitdrukkingen streden. Zij wilden of moesten hun standpunt verklaren, in hun eigen minder  of beter  welgekozen uitdrukkingen van hun geloof, namelijk van het innerlijk geloof aan een enkele, levendig ervaren, aan alles ten grondslag liggend idee van het ware, goede en schone, zonder hetwelk al ons spreken en schrijven beuzelarij blijft.

_______________________________

Copyright: Erik Tjallinks


[1] Een verwijt aan degenen die dogma’s en stelregels verkondigen waarvan zij zeggen dat ze waar zijn, maar waarvan zij ook zeggen ze niet te begrijpen.

[2] (Noot van Herder) Ethica, P.II Prop. 43, Schol. P. 80.

[3] (Noot van Herder) Epist. 74, p. 612 – .

[4] (Noot van Herder) Bv. Ethica Prop. 40, 43, 44, 49 enz.

[5] (Noot van Herder) R 366 – 392.

[6] Haakjes van mij – vert. om de leesbaarheid te vergroten.

[7] “zelf-onderzoekende kennis: hiermee wordt uitgedrukt, dat “kennis” nooit “aangenomen” kennis is, maar kennis die voortkomt uit het weten dat het ware kennis is.

[8] “Formele wezens van ideeën”: vreemd klinkende omschrijving, maar geheel volgens de definitie die Spinoza van “wezen” geeft in zijn Ethica: “Ad essentiam alicujus rei id pertinere dico, quo dato res necessario ponitur et quo sublato res necessario tollitur; vel id, sine quo res, et vice versa, quod sine re nec esse nec concipi potest”. Het wezen van een ding is datgene zonder hetwelk het ding niet zou zijn wat het is, en zonder het ding waarvan het het wezen is, is het wezen ervan er ook niet. Het wezen van een waar idee is dus waarheid, welke zonder dit wezen geen waar idee zou zijn, maar zonder idee ervan zou er ook geen waarheid zijn. Omdat de waarheid er noodzakelijkerwijze is, is er noodzakelijkerwijze ook een idee van de waarheid. (gevolgtekking van mij – vert.)

04
jan
12

Aflevering 25 van J.G. Herder: “God” (een serie gesprekken over Spinoza)

Deze aflevering no. 25 is de laatste aflevering van het eigenlijke boekwerkje. Na deze aflevering volgen nog drie afleveringen: Eén met het nawoord van Herder, waarin hij het boekje in een breder filosofisch kader plaatst, en twee afleveringen met het voorwoord van de uitgever van Herder’s verzamelde werken, over dit boekje. Dat laatste is met name interessant omdat er iets van de ontstaansgeschiedenis ervan in naar voren komt, waarin o.m. Goethe en Jacobi hun aandeel hebben gehad. Goethe is lovend over het werkje en wordt uitgebreid geciteerd.

Nogmaals zij erop gewezen dat de tekst in deze blog herziening behoeft en een werk-concept is.

————————————

Innerlijke bestendigheid van elk afzonderlijk wezen, vereniging met gelijkaardige, scheiding van het tegengestelde, uiteindelijk gelijkvormig worden met zichzelf en afdruk van zijn wezen in een ander. Het zijn werkingen waarmee de Godheid zich heeft geopenbaard, geen andere, geen hogere, zijn denkbaar.

V. Geen dood is er in de schepping, maar omvorming. Omvorming volgens de wet van de noodzaak, volgens welke elke kracht in het rijk der veranderingen zich steeds weer nieuw, steeds weer werkend in stand wil houden en aldus door aantrekken en afstoten, door vriendschap en vijandschap, haar organisch kleed onophoudelijk verandert.

VI. Geen rust is er in de schepping; want een nietsdoende rust zou dood zijn. Elke levende kracht werkt en werkt voort. Met elke voortwerking schrijdt ze dus verder en oefent haar werking uit, naar innerlijke, eeuwige regels van wijsheid en goedheid, die zich aan haar opdringen en in haar gelegen zijn.

VII. Hoe meer de kracht haar werking uitoefent, des te meer werkt ze op anderen in. Terwijl ze haar eigen beperkingen verruimt, organiseert ze en drukt op anderen het beeld van de goedheid en de schoonheid dat in haar woont. In de hele natuur heerst zodoende een noodzakelijke wet, volgens welke uit de chaos ordening, en uit slapende vermogens daadwerkelijke krachten worden. De werking van deze wet is niet tegen te houden.

VIII. In het rijk Gods bestaat niets kwaads dat werkelijkheid zou zijn. Alle kwaad is een niets, wij noemen echter kwaad wat beperking, tegenstelling of overgang is, en geen van drieën verdient deze naam.

IX. Zoals echter beperkingen tot de maat van elk bestaan in ruimte en tijd behoren, en in het rijk Gods, waar alles aanwezig is, ook het tegengestelde aanwezig moet zijn, zo behoort het ook tot de hoogste goedheid van dit rijk, dat ook tegenstellingen zich onder elkaar vooruit helpen. Want slechts door de vereniging van beide wordt een wereld in elke substantie, d.i. een bestaand geheel, volledig in zowel goedheid als schoonheid.

X. Ook de fouten van de mensen zijn voor een verstandig persoon goed. Want hoe verstandiger hij is, des te eerder tonen zij zich aan hem als fouten, en helpen hem zo als contrasten in de richting van meer licht, zuiverder goedheid en waarheid. En ook dit alles niet willekeurig, maar naar wetten van rede, orde en goedheid.

Ben je tevreden met mijn gevolgtrekkingen, Theophron?

Theophron: Zeer. Je scherpzinnige geest trekt naar voren, Philolaus, als een edel paard, waarvoor je de renbaan maar hoeft te openen, of het vliegt al op zijn doel af. Ik dank de schaduw van Spinoza, dat hij ons zo aangename uren van gesprek heeft bezorgd. Ik kom zelden in de gelegenheid om over dit soort onderwerpen te spreken. En toch verheffen ze de geest op zo unieke wijze, ze vormen hem met heldere, scherpe, noodzakelijke waarheid. Bovendien verschaffen mij deze gesprekken met jullie nog een tweede genoegen, nl. dat ze bij mij de herinnering oproepen aan mijn jeugd, toen ik aan de zijde van Leibniz, Shaftesbury en Plato menig aangenaam uur beslist niet alleen maar verdroomde.

Theano: Des te liever zag ik, Theophron, dat je iets zinvols hierover zou opschrijven. Een gesprek vervliegt, en aan een genoteerd gesprek over materie van deze aard schijnt steeds iets te mankeren. Je wordt meegesleept en voordat je het weet is het afgelopen.

Theophron: Dan moeten we terugkeren, Theano, tot het gesprek als het ware zelf uit de ziel vloeiut. Bij zijn nadelen heeft het toch de goede eigenschap, dat het ons behoedt voor het uit het hoofd leren, en ware filosofie mag nooit uit het hoofd worden geleerd.

Theano: Die regel zou ik mijn broer willen toewensen. Hij is sinds enige tijd bezeten van een woordkramerij die zijn hoofd hevig verwart zodra hij daarin begint te spreken. Hij spreekt dan nooit met zijn eigen, natuurlijke woorden, maar met vreemde woorden, alsof hij in vreemde tongen spreekt, net alsof er een demon via hem spreekt. Hij zegt dat hij zich in een systeem naar binnen heeft gestudeerd. Ik zou willen, Theophron, dat je Spinoza, Descartes, Leibniz en wie het verder mogen zijn, weg zou laten en alleen hun gedachten zou opschrijven.

Theophron: Ik volg graag de voetstappen die mij voorafgingen, Theano. Ik schiet ook nog veel tekort, om een werk te ontwerpen waarop de noodzakelijke, eeuwige waarheid zelf haar stempel heeft gedrukt.

Philolaus: Mag ik nu met mijn voorbehoud komen, Theophron? Jouw eerste stelling luidde:

“Het hoogste bestaan heeft zijn voortbrengselen het hoogste gegeven, namelijk werkelijkheid, bestaan.”

Juist hierin, zegt men, schiet het stelsel; van onze filosoof tekort: volgens hem is er geen bestaan, er is slechts substantie, wij zijn slechts modificaties.

Theophron: Modificaties waarvan? Van het bestaan in zijn hoogste betekenis[1]. De ene partij is verontwaardigd omdat Spinoza ons teveel, de andere partij is verontwaardigd omdat hij voor ons (mensen) te weinig plaats inruimt. Beide kunnen het wellicht niet eens worden omdat zij geen geschiktere manier van uitdrukken kunnen vinden dan hun eigen manier. Wij zijn bestaanswijzen; deze noemen wij individualiteiten. Ieder heeft en is zijn eigen manier, d.w.z. een eigen individualiteit. Weet jij een betere uitdrukking?

Philolaus: Men gelooft precies het tegenovergestelde: “Spinoza heeft ons onze individualiteit ontnomen”. Vanuit dit gezichtspunt is zijn stelsel het eenvoudigst aan te vechten en af te breken.

Theophron: Wat men er ook van gelooft, hij zou het hoogste bestaan hebben beroofd van zijn bestaan, zijn zelfbewustzijn. “Osiris is dood, zijn afgehakte ledematen fladderen hier en daar als modificaties rond. Modificaties zonder wezen, raderen zonder middelpunt; wederom het meest  werkelijke wezen zonder weergave van zijn werkelijkheid”. – Denk je eens in, wat een zichzelf tegensprekende onzin! Theano moet ons de weg wijzen: wat is voor jou zelfstandig en blijvend werkzaam, wat ben je zelf, Theano?

Theano: Mijn gestalte behoort mij toe, maar ik ben niet mijn gestalte. Dat zegt het schilderij dat van mij als kind is gemaakt, dat zegt mij in leed en vreugde, in gezondheid en ziekte mijn spiegel.

Theophron: En toch was en ben je in deze wisseling van toestanden steeds dezelfde, hetzelfde individu.

Theano: In mijn fantasie niet; die veranderde met de jaren. In wat wij smaak, liefhebberij en affecties noemen, niet: ook dat zijn kledingstukken die wij ongemerkt veranderen. Dat uiteindelijk onze gedachten uitgeput raken en onze herinnering verwelkt – laat mij niet aan dit treurige jaargetijde van het menselijk leven denken. Moge het voor ons allen laat komen!

Theophron: Als dus in het rijk van de zinnen, in het rijk van de fantasie, de smaak, de begeerte, het middelpunt van de zelfbestendigheid niet ligt, waar ligt het dan wel?

Theano: In mijn zelf. Noch als begrip, noch als gevoelen kan het woord, denk ik, verder uitgelegd worden. Ik was kind en groeide op. Ik was ziek en genas. Ik sliep en werd wakker. Bij alle veranderingen die met mij plaatsvonden, van binnen en van buiten, noemde men mij niet alleen, maar ik noemde en voelde mij dezelfde.

Theophron: Dit beginsel van de zelf-heid hing dus niet van jou af, als zou het ontstaan zijn uit redenering en door reflectie in stand moest worden gehouden, alsof het hierop zou berusten en zonder deze zou verdwijnen.

Theano: Hoe zou dat kunnen? Ondanks alle veranderingen blijven mijn lichaam en geest weliswaar niet dezelfde, maar ik, een zelf, blijf wel. En dat hangt niet af van mijn redeneringen. Wakend redeneer ik niet veel, slapend helemaal niet, en in de toverwerelden van de droom was ik dikwijls iemand anders. Denk ik wakend over mijzelf na, dan vind ik mijn kleine zelf verdeeld: ik deel het zelf op een kunstmatige manier op.

Theophron: Dus ligt de overgang van ons zelf, het grondbeginsel van onze individuatie dieper, dan tot waar ons verstand, onze rede, onze fantasie reikt. Je hebt het getroffen, Theano; als begrip en als gevoelen ligt het in het woord zelf zelf. Zelfbewustzijn, zelfwerkzaamheid, zij maken onze werkelijkheid, ons bestaan. Op deze begrippen rust de ladder van al onze ontwikkelde en on-ontwikkelde vermogens, aandriften, en activiteiten, en zij reikt van de aarde tot de hemel. Geloof je nu wel, Theano, dat dit principe van de individuatie (we kunnen het zelfgevoel, zelfbewustzijn of anders noemen) bij alles wat bestaat in dezelfde mate werkzaam en actief is?

Theano: Zeker niet. Een levende en een geborduurde roos zoals deze, de rozenstruik, de nachtegaal die erin zingt, de vlinder die aan de roos hangt, die kunnen noch dezelfde soort, noch dezelfde mate van zelfgevoel, zelfbewustzijn en bijgevolg van bestaan hebben. En wij mensen?

Theophron: Daarom zijn zij en wij verschillende wijzen van bestaan, met verschillende soorten en gradaties van zelfbewustzijn, modificaties van de werkelijkheid, dieper en dieper naar beneden, hoger en hoger naar boven. En wij mensen! Geloof je wel, dat allen van ons geslacht een even diep zelfgevoel, een even werkzaam zelfbewustzijn, en daarachter ook een even diep bestaan hebben?

Theano: Totaal niet. Menig menselijk gestel (originele tekst: “Organisation”) zou men van binnen nauwelijks met de individualiteit van de bloem, van de vogel, zelfs van veel wilde dieren kunnen vergelijken.

Theophron: Vergelijken, maar altijd nog binnen het stelsel van menselijke gevoelens; want de basis van zijn geslacht kan een individu niet loochenen. Welke, dacht je nu, zou de hoogste, zuiverste, schoonste individuatie zijn?

Theano: Geen twijfel mogelijk! De vorm van alle vormen. Deze vorm, welke alles omvat, en die zich werkzaam over alles verbreidt. Hoe meer ze kan omvatten, des te meer kan ze van zich geven, des te meer moet zij hebben, d.i. zijn.

Philolaus: Laat het zo, vrienden. Elk woord hierna is teveel. Het enige en eeuwige principe van de individuatie zie ik in het stelsel van onze filosoof ontwikkeld  aan een draad, die ons in ons binnenste zelf binnenleidt. Hoe meer leven en werkelijkheid, d.i. hoe verstandiger , machtiger en volkomener energie een wezen heeft om een geheel te verkrijgen, waartoe het zich voelt behoren, en waaraan het zich ten diepste en totaal overgeeft, des te meer is het een individuum, een zelf. Hiertoe bestemde Spinoza de voortreffelijkheden van het menselijk lichaam, de vermogens van de menselijke ziel. Daarmee voerde hij alles terug op Hem, door Wie alles leeft, waarin wij leven en mogen zeggen: “Wij zijn van Zijn geslacht door bewustzijn, door de ons meest eigen, machtigste krachten.”

Theophon: In plaats dus van met woorden in de lucht te vechten, laten wij ons ware zelf in ons wakker maken en het principe van de individuatie in ons versterken! Hoe meer geest en waarheid, d.i. hoe meer daadwerkelijkheid, kennis en liefde van en voor het al in ons is, des te meer hebben wij en genieten wij God, als werkzame individuen, onsterfelijk, ondeelbaar. Slechts Hij, in Wie alles is, die alles houdt en alles draagt, mag zeggen: “Ik ben het Zelf, buiten Mij is er geen.”

–0-0-0-0-0-0-0-0-0-0-0-0-0-0-0-0-0-0-0-0-0-0-0-0-0-0-0-0–

Copyright: Erik Tjallinks


[1] Nico van Suchtelen vertaalt het woord “modificatie” in zijn vertaling van “Ethica” als “bestaanswijze”. In deze plaats stuit deze vertaling op contextuele problemen: als er geen bestaan is (volgens de tegenwerping van Philolaus), zijn er ook geen bestaanswijzen mogelijk.


[1] Nico van Suchtelen vertaalt het woord “modificatie” in zijn vertaling van “Ethica” als “bestaanswijze”. In deze plaats stuit deze vertaling op contextuele problemen: als er geen bestaan is (volgens de tegenwerping van Philolaus), zijn er ook geen bestaanswijzen mogelijk.




Follow

Get every new post delivered to your Inbox.