21
nov
11

Aflevering 20 van J.G. Herder: “God” (een serie gesprekken over Spinoza)

Zelfs al laat ik de oorsprong buiten beschouwing van welke kracht dan ook die denkt, handelt of werkt, en die geen zichzelf respecterend filosoof kan ontkennen, dan nog is de onderlinge verwevenheid van deze krachten, die alle volgens hun eigen aard werkzaam zijn en zich in mijn ziel met elkaar verweven, voor mij bewijs genoeg. Ze wijzen overduidelijk op een essentiële, innerlijke waarheid, overeenstemming en volmaaktheid, hun bestaan impliceert deze gewoonweg. Dat er denkbare dingen zijn, en dat deze op ontelbare manieren volgens innerlijke regels verbonden kunnen worden, waardoor harmonie en orde ontstaat, dat is voor mij al een bewijs van het bestaan van God, ook al zou ik een ellendige egoïst zijn, die denkt dat hij het enige denkende wezen in de wereld is. Tussen elk subject en bijbehorend predicaat staat een “is” of “is niet.” Dit “is”, dit woordje voor gelijkstelling en overeenstemming van verschillende begrippen, het gewone = – teken, is mijn bewijs van God. Want, nogmaals gezegd, er is een intellect, een verwevenheid van het denkbare in de wereld volgens onveranderlijke regels. Daardoor moet er een essentiële grond zijn voor deze verwevenheid. De regels hiervan heeft niemand willekeurig verzonnen, net zo min als een in ruimte en tijd gevangen, denkend wezen ze uitvoert. Die verwevenheid is in de geestelijke wereld datgene, wat het evenwicht in de lichamelijke wereld is: ze draagt haar innerlijke noodzaak met zich mee. Er is dus zulk een innerlijke noodzaak, d.i. een zelfstandige waarheid.

Philo:  En deze zelfstandige waarheid woont…

Theo:  In alles wat er is, zowel objectief als subjectief beschouwd. Onze kennis is voortgekomen uit onze zintuigen en ondervindingen: wij moeten waarnemen, wat overeenkomt bijeenhouden, algemene begrippen uit verschillende individuele verschijnselen destilleren en verklaren. Dit alles is een weg waarop vergissingen bij het waarnemen, uit elkaar houden en verbinden van begrippen niet alleen mogelijk, maar ook onvermijdelijk zijn: een onafwendbaar lot van de mensheid. De regel in onze ziel echter, volgens welke wij waarnemen, uit elkaar houden, verbinden en concluderen, is een goddelijke regel: ook in dwaling hebben wij ernaar gehandeld, en moesten we er zelfs naar handelen, zelfs wanneer al onze gedachten wanen waren geweest. Neem bijvoorbeeld zuivere waarheden zoals die van de meetkunde. Voor onze zintuigen is er in de hele natuur geen volmaakte cirkel te vinden. Maar ook dan nog toont mij de meetkundige cirkel in mijn gedachten, met alles wat daarin volgens innerlijke noodzaak gesteld en bewezen wordt, dat er een zelfstandige, goddelijke waarheid is. Ze bewijst mij namelijk dat er een wiskundig intellect in de wereld bestaat, en hoewel onze zintuigen het niet toelaten dat wij haar om ons heen zien en kunnen toepassen, toch vertelt ons elk zintuig volgens zijn eigen structuur en functie, samen met het in ons wonende intellect volgens de hem eigen natuur, het volgende: als er denkende wezens zijn die met nog fijngevoeliger zintuigen de wereld aanschouwen, dan zullen zij volgens juist deze zelfde noodzakelijke regel denken. Ook vertellen de zintuigen en ons intellect ons, dat het Wezen, dat de Oorzaak van mijn en elk ander intellect is, diezelfde innerlijke gedachtenwetten op de meest excellente wijze moet kennen, en dat dit Wezen niet anders kon doen, dan de werking van deze wetten ten grondslag te leggen aan het bestaan zelf. Je zwijgt, Philo?

Philo:  En stel nu eens, dat een kritische filosoof jouw bewijs alleen maar een hypothese zou vinden, immers stel, dat er niet zo een intellect zou zijn[1]?

Theo:  Dan is er maar geen. Een filosoof die zijn verstand opgeeft of intellect ontkent, kan inderdaad geen bewijs, waarvan dan ook, accepteren. Maar nu zonder gekheid: zodra de filosoof een filosoof wordt, d.i. zodra hij intellect erkent en voor zichzelf een idee heeft gevormd van wat het is, zal het intellect voor hem op wezenlijke, noodzakelijke wijze de onderlinge betrekkingen van de waarheden bevatten. Ik durf te zeggen, dat dit het enige echte bewijs voor het bestaan van God is. (Meer dan één echt bewijs kan er trouwens niet zijn), dat bij alle bewijzen terugkomt, maar dat nergens zo duidelijk en helder naar voren komt als bij ons intellect.

Voor alle bewijzen uit de natuur bijvoorbeeld, waar wij noodzakelijke wetten van beweging en van rust, van de toestand der dingen volgens de onderlinge verhouding van hun innerlijke krachten, gelden dezelfde regels die wij ook het zuiverst bij ons intellect opmerken, namelijk: “dat elk ding is, wat het is[2], dat zijn essentie (Wesen) op krachten berust, zijn toestand op een harmonie van deze krachten, en zijn werking op de verhouding hiervan tot andere dingen. En dit alles niet uit willekeurige bedoelingen, die wij helemaal buiten beschouwing laten, uit innerlijke wetten van noodzaak, waaruit toestand en verstoring, rust en werking volgen.” Elke waarachtige fysio-theologie[3] ontwikkelt dus niets anders dan eeuwigdurend intellect en kracht volgens noodzakelijke wetten, in de bouw van schepselen, in hun hele verhouding tot plaats en tijd. Ze komt overal tot één en dezelfde uitkomst, één en dezelfde aanschouwing in duizend voorbeelden en onderwerpen, van het onooglijk kleinste tot het onoverzienbaar grootste.  De muziek bijvoorbeeld, waarvan je mij liet genietenis een uitdrukking van noodzakelijke, eeuwige harmonie, ook als mijn oor het niet zou horen, ook als (het genot van het horen van muziek buiten beschouwing gelaten) slechts een intellect haar zou berekenen meten. Dat mijn oor en mijn gevoel voor de muziek geschapen zijn en dat de muziek op zo vele met mij gelijkgestemde wezens dezelfde uitwerking heeft: dat alles maakt het bewijs van de erin wonende harmonie weliswaar levendiger, maar voegt niets toe aan de bewijskracht. Want ook als geen oor in de wereld de muziek hoort, en de essentie van de muziek slechts door een rekenend intellect bedacht waren, dan nog zou het bewijs toereikend zijn.

Philo:  Ik moet mijn scherts herhalen: stel, dat er helemaal geen rekenend intellect zou zijn?

Theo:  Dan moet ik ook mijn antwoord herhalen: als er geen rekenend intellect is, dan is er ook niets wat berekend is, en dus ook geen harmonie en orde, die een berekening zijn van het intellect. Als we al het denkende wegdenken, dan is er niets denkbaars, als we de hele werkelijkheid wegdenken, dan is er niets werkelijks. Waar komen we terecht met zulke sofismen[4]? En zijn ze de filosofie waardig? Vertrap de eeuwige grondbeginselen van het intellect en los ze op in hypothetische woordspelletjes zonder bestaan en zonder noodzakelijk erkennen van een innerlijke waarheid: vanzelfsprekend is zo geen aantoonbaarheid mogelijk, niet van één bestaan, maar van geen enkel bestaan. Wat heb je daarmee anders gedaan dan de grondslag van elk denken af te schaffen? En hoe is nu zonder samenhangend denken filosoferen mogelijk? Als mijn zintuigen mij al van het bestaan overtuigen op de hun eigen wijze, d.w.z. op een vage, verwarde manier, hoe zou mij  mijn intellect (Vernunft) van het bestaan overtuigen op de aan het intellect eigen wijze, d.i. door duidelijk aan elkaar verbonden, volledige begrippen? Verlang ik echter van jou, dat je mij jouw begrippen als zintuiglijke waarnemingen  zonder zintuiglijke waarneming geeft, of dat je mij het bestaan aantoont van zintuiglijk waarneembare voorwerpen die zich buiten jouw waarnemingsgebied bevinden, als zuivere verstandswaarheden, en ik jou zou verwijten dat je mij dat niet kon of wilde geven, dan is mijn verwijt net zo onzinnig als wanneer ik kleuren wilde horen, licht proeven, of galm zien. Wij willen ons ervoor hoeden, Philo, dat wij nooit in deze omgeving van de “hyperkritiek van het gezonde verstand”[5] terechtkomen, waar men zonder materialen bouwt, zonder ervaringen weet, en zonder krachten iets vermag. De begrippen van dit rijk zijn als fata morgana: schijnbare juistheden van teruggekaatste beelden zonder houding, zonder duur, de slechtste fantasieën van de wereld, speculatieve fantomen, een woestijn van taal.

Philo:  Je bouwt je bewijs derhalve niet op het begrip van oorzaak en werking[6]?

Theo:  Ik neem deze begrippen uit de ondervinding; op het gebied van de bewijsvoering kan ik ze echter niet anders dan onder het begrip van het bestaan (Dasein)  overplanten, omdat ik niet goed kan inzien wat de oorzaak is, noch wat de werking is, en nog minder wat de verbinding is tussen beide. Bij geen enkele ervaring kan bewezen worden wat de uitwerking is van die oorzaak[7], hoewel wij wel zintuiglijk duidelijk merken of vermoeden, dat ze het wel moet zijn, omdat we beide dikwijls tegelijk of na elkaar zien optreden. Het is je bekend, welke misvattingen hier zelfs in het verloop van de dagelijkse ondervinding bij de gewoonste dingen dikwijls zijn voorgekomen. De reden waarom dit voorkwam is duidelijk zichtbaar, omdat elke aanname over oorzaak van een werking, of omgekeerd over werking van een oorzaak, als ervaringsregel nooit bewijs, maar altijd slechts een vermoeden in het rijk der zintuigen was. Wij weten niet wat kracht is, noch hoe zij werkt. Wij zien haar werking slechts als toeschouwer, en vormen ons daarbij passende oordelen. Zelfs de algemene regels hierover, die wij allerduidelijkst bewaarheid zien, kunnen wij nooit bewijzen[8]. Wat zouden we inniger moeten kennen dan de kracht die in ons denkt en werkt? Toch kennen we haar net zo weinig als elke andere, die buiten ons is. Zelfs de gedachten van mijn ziel, als werkingen beschouwd, begrijp ik niet. Slechts dan zijn ze voor mij begrijpelijk, als ik ze immanent als “bestaan”(Dasein)  d.i. als ëeuwige waarheden behorend tot mijn verstand (intellect)” onder de regel van een innerlijke noodzakelijkheid kan brengen. Tot hiertoe heb ik ook met betrekking tot God mijn bewijs beperkt. Wie teveel wil bewijzen, loopt het risico dat hij niets bewijst. 

Philo:  Dus je wilt voor jezelf ook geen verklaring over de aard van de schepping, of deze voortbrenging, emanatie of iets dergelijks is?

Theo:  Hoe zou ik dat kunnen, als ik niet weet wat schepping, wat voortbrenging betekent? De algemene manier waarop men zich dit voorstelt, is dat God de wereld uit Zichzelf naar buiten heeft gedacht. Ze schijnt de zuiverste wereld te zijn, omdat wij van een zuiverder werking dan die van de gedachten van onze ziel, geen begrip hebben. Ook zijn Leibniz en andere heldere denkers hiervan uitgegaan, omdat de ervaring hun geen beter beeld gaf, en de taal geen betere uitdrukking. De gedachten van onze ziel, zo zegt men, zijn op zichzelf onwerkzame beelden. De gedachten van God, vergezeld van inherente almacht, waren hoogst werkzaam. Hij dacht, en het werd. Hij wilde, en daar stond het. Ik geloof, dat er over een voor ons onverklaarbare zaak geen betere manier van uitdrukken bestaat.

Intussen geeft ze ons over het wezenlijke van de werking geen uitsluitsel. Veeleer moet men zich ook bij dit “naar buiten” voor kwalijke symboliek hoeden. De grove manier van voorstellen bijvoorbeeld, dat God na miljoenen eeuwigheden de weredl “uit Zichzelf” naar buiten heeft gedacht, is onverdraaglijk.

Philo:  De grovere emanatie zal dat voor jou dus nog meer zijn, en toch beschuldigt men zelfs Spinoza ervan, dat hij zijn systeem aan de Joodse Kabbala heeft ontleend[9].

Theo:  Wie heeft jou op dat idde gebracht, Phil?

Philo:  Het is een algemeen verbreide opvatting waar Spinoza zelf aanleiding toe gegeven heeft[10], en die vooral Wachter[11] verder heeft verspreid.

Theo: Wachter was een geleerd man, die ik op alle gebieden hoogacht, behalve op het gebied van de filosofie. Als een reizende jongeling van in de twintig streed hij tegen een Jood, en wilde het Spinozisme in het Jodendom vinden. Enkele jaren later werd hij zelf een vriend van de Kabbala, en wilde de ideeën die hij eerst koesterde, met Spinoza’s  leer verenigen[12]. Mij dunkt, dat de filosofie van Spinoza veel te veel verschilt van de Kabbala, om de ene uit de andere te kunnen verklaren, dat is vergeefse moeite. De Kabbala is een symboliek van goed en kwaad, in het algemeen echter vol dweperige, vage voorstellingen in absurde beelden, waarmee de zuivere, heldere geest van Spinoza geen genoegen kon nemen, anders was hij immers wel Jood gebleven. In heel zijn Ethica vind je geen enkele beeldspraak, en zijn weinige gelijkenissen zijn hem bijna noodlottig geworden. In dit opzicht is hij een tegenvoeter van de Kabbala, hoewel hij natuurlijk als kind van het Jodendom en leerling van de beroemde Morteira[13], toch wel een Hebreeuwse kijk op de dingen in de Cartesiaanse filosofie had gebracht. De eerste manier van denken die wij als jeugdige opdoen, verliezen we nooit helemaal, en omdat Spinoza met het cartesiaanse systeem als met een vreemde taal in aanraking kwam, was het niet meer dan natuurlijk, dat hij deze taal aanpaste aan zijn moedertaal, waar hij eveneens op synthetische wijze zich met het wezenlijke begrip van God ging bezighouden. Met de eigenlijke Kabbala echter, en nog minder met haar emanaties (die ook niet door de Joden zijn uitgevonden, en nog minder van de Joodse theologie deel uitmaken) heeft Spinoza’s systeem niets te maken. Waar hij de woorden “voortbrenging, werking” moet gebruiken, daar gebruikt hij ze, zonder de aard van de voortbrenging nader uit te leggen. Het liefste echter gebruikt hij het woord “uitdrukking”. “De wereld drukt eigenschappen van de Godheid uit, op de ene na de andere oneindige wijze.” Deze betoogtrant is eerder mathematisch dan kabbalistisch. Over “uitstromen uit God” heeft Spinoza het nooit. Een wiskundig denkend persoon zal dit soort beeldspraak liefst niet bezigen. Om de werking Gods te verklaren, bediende Leibniz zich een keer van de uitdrukking “fulguratio” (door L. zelf geconstrueerd Latijns woord, afgeleid van fulgor = straling, bliksem – vert.), waarbij hij op het beeld van de zonnestralen zinspeelde. Bij Kästner[14] kun je lezen hoe men dit beeld daarna belachelijk heeft gemaakt. Dus als wij over God spreken, liever geen beeldspraak! Ook in de filosofie is dit ons eerste gebod, net zoals in de wet van Mozes.

Copyright: Erik Tjallinks


[1] Inderdaad is het “bewijs” van Theo als een hypothese geformuleerd volgens moderne, “Popperiaanse” kriteria voor wetenschapsbeoefening en theorievorming, die stelt dat geen uitspraak “waar” kan zijn omdat er altijd de mogelijkheid bestaat dat nieuwe ontdekkingen en waarnemingen de “waarheid” ervan ondergraven of geheel teniet doen. Uitspraken kunnen slechts “geldig” zijn, d.w.z. als “onderdeel van een theorie”. Echter, in de tijd van Herder werd er nog naar “waarheid” gezocht, en was het onderscheid tussen wetenschap en theologie en/of godsdienst nog niet, zoals nu, algemeen aanvaard.

[2] Mogelijk verwijzend naar het onderscheid dat Herders leermeester Kant maakte tussen “das Ding an sich” en “das Ding für sich”, en waar Herder het niet mee eens was. De mening (het “bewijs”) van Herder wordt dan in deze alinea verder uitgewerkt.

[3] Fysio-theologie: “leer van de verhouding tussen God en de waarneembare natuur”. Thans niet meer onder die naam als discipline beoefend.

[4] Sofisme: spitsvondig argument dat op verkeerd gebruik van logica of op niet ter zake doende zijpaden is gebaseerd.

[5] Wederom (sarcastische) verwijzing naar Kants’ “Kritik der reinen Vernunft”, dat door Herder op latere leeftijd op essentiële punten fel is bestreden.

[6] In moderne woorden: “oorzaak en gevolg”. “werking” is eigenlijk beter in dit verband, doordat bedoeld wordt: “gevolg binnen een harmonisch verband”. Zuiver “gevolg” laat dit in het midden.

[7] Bv. Kant vond dat dat wel kon, bv. als we een steen zien vallen, is ons verstand in staat de zwaartekracht aan te wijzen als de oorzaak van de neerwaartse beweging van de steen. 

[8] Dit wordt bevestigd door de “waarheidsvinding” in de rechtspraak, waar een onomstotelijk bewijs – ook als dit niet zo sterk is als door Herder wordt vereist – dikwijls moeilijk te leveren is. Ook wordt het bevestigd in moderne natuurkundige theorieën: we weten nog steeds niet wat de bekende “krachten” zijn, hoewel we wel verschijnselen waarnemen op grond waarvan we aannemen, dat die krachten bestaan. Verder spotten de kleinste deeltjes (bestudeerd in de kwantum-mechanica) met “wetten” van oorzaak en gevolg, zelfs met die van de wiskunde.

[9] Emanatie: Emanatie is een uitvloeiing, uitstorting, uitstraling of een voortvloeiïng van iets. Essentieel hierbij is dat de eigen wezenheid of eigenheid van de bron waaruit de uitvloeiing plaats heeft gevonden opgaat in het resultaat van zijn uitvloeiing. Op zichzelf genomen dus niet iets dat haaks staat op de opvattingen van Theo (lees: Herder) maar in de Kabbala vindt het ontstaan van de kosmos plaats via een viervoudige serie van tien emanaties, in de ogen van een door Spinoza beïnvloed denker als de (latere) Herder,  een fabeltje.

[10] (noot van Herder, Spinoza citerend in het Latijn, vertaling van mij): “Dat alles in God is en in God bewogen wordt, bevestig ik met Paulus; ik zou ook durven zeggen, met alle oude Hebreeën, zoals vermoed kan worden uit hun overleveringen, welke op zovele manieren zijn vervalst.” (Epist. 21, opp. Posth., p. 449)

[11] Johann Georg Wachter (1663 – 1757), Duits letterkundige, die zich “aan de rand” bevond van de erkende filosofische wereld, en tijdelijk in Amsterdam woonde. Doordat hij als letter- en taalkundige naam maakte, werden zijn ideeën over Spinoza en de kabbala ook bekend.

[12] (noot van Herder) Het eerste geschrift heette: “Het Spinozisme in het Jodendom, of De door het Jodendom en zijn geheime Kabbala vergoddelijkte wereld (…), onderzocht en weerlegd door J.G. Wachter”, Amsterdam 1699. Het 2de geschrift: “Kabbalistisch Overzicht, of een Commentaar op de geheime filosofie van de Hebreeën, opgesteld door J.G. Wachter” Rom. 1706. (Hij vindt twintig overeenkomsten tussen Spinoza’s systeem en de Kabbala)

[13] Saul Levi Morteira (1596-1660), een in Italië geboren Portugese rabbi en Joods theoloog. Spinoza behoorde tot de door hem geleide Joodse gemeenschap in Amsterdam, en werd onder zijn leiding in 1656 uit deze gemeenschap in verbannen.

[14] A.G. Kästner (1719-1800), Duits wiskundige. (Men ziet hoe ook wis- en natuurkundigen zich in die tijd enthousiast met theologie bemoeiden, ook Leibniz was een briljant wiskundige)


0 Reacties tot “Aflevering 20 van J.G. Herder: “God” (een serie gesprekken over Spinoza)”



  1. Geef een reactie

Geef een reactie

Fill in your details below or click an icon to log in:

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log Out / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log Out / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log Out / Bijwerken )

Verbinden met %s


Follow

Get every new post delivered to your Inbox.