Theo: En toch vind ik het niet onplezierig dat ook dit afgebroken gesprek bekendgemaakt is. De gestorvene kan niet worden geschaad door hetgeen waar de zwakke sektenmaker hem voor houdt, en voor ons is het aangenaam om te zien dat voor zo’n uitnemend denker als Lessing Spinoza niet onopgemerkt is gebleven[1]. We hebben ook iets gezien van wat hij nog van hem had kunnen maken, als hij tijd en moeite had genomen om Spinoza’s systeem uiteen te zetten en in de hem eigen klare taal over te brengen. In het boek van zijn vriend zal jij zeker ook veel waars en schoons gevonden hebben, mannelijk schoons zogezegd.
Philo: Zeker. Alleen moet ik oprecht bekennen, Theo, dat ik met zijn “persoonlijke, boven- en buitenaardse Godheid” net zo weinig uit de voeten kan als Lessing. God is geen wereld, en wereld is geen God, dat blijft overeind. Maar met boven- en buiten (supra- en extra-) is het nog niet klaar. Wanneer men over God spreekt, moet men alle beelden van ruimte en tijd vergeten, anders is onze moeite vergeefs.
Ten tweede kan ik er niet mee overweg, dat Jacobi[2] het niet eens is met het begrip dat ik nu van Spinoza heb, en waar wij beiden het toch punt voor punt over eens waren. Hierdoor kan ik het ook niet met de Conclusies eens zijn. (Citeert Jacobi) “Spinozisme is atheïsme. De Leibniz-Wolffse filosofie is niet minder fatalistisch dan de Spinozistische. Elke weg van bewijsvoering loopt uit op fatalisme” enz. Want naar mijn idee is Spinozisme, zoals Spinoza het zich voorstelde, geen atheïsme. Ook is door de harde formuleringen van Spinoza de Leibniz-Wolffse noodzakelijkheid niet dezelfde als die van Spinoza[3], en dan moet men zich door het woord “fatalisme” net zo min laten afschrikken als door enig ander woord. Horen wij wat Spinoza hierover zelf zegt[4]: “Op geen enkele wijze onderwerp ik God aan een fatum (=noodlot). Dat alles met onontkoombare noodzaak uit de natuur Gods volgt, stel ik mij op dezelfde wijze voor als iedereen dat doet, en ook dat uit Gods natuur volgt, dat God zichzelf kent. Dit wordt door niemand ontkend, en niemand denkt daarbij dat God door het noodlot gedwongen zichzelf kent. Hij kent zich vrij, hoewel noodzakelijk[5].
“Noch goddelijke, noch menselijke rechten heffen deze natuurlijke noodzakelijkheid op. De morele voorschriften zelf (ipsa moralia documenta), onverschillig of ze al dan niet in de vorm van wetten of rechtsregels zijn gegoten, zijn goddelijk en heilzaam. Het goede, dat uit de deugd en de liefde tot God volgt, wordt door wetten of rechtsregels niet meer, noch minder waardevol. Evenzo wordt het kwaad, dat uit kwaadaardige handelingen en neigingen volgt, niet meer of minder vreselijk doordat het uit deze handelingen en neigingen volgt. In onze handelingen worden wij uiteindelijk gedreven door vrees en hoop, ongeacht of we ze uit noodzaak of uit toeval doen.
“Voor God zijn mensen niet in staat tot verontschuldiging, omdat zij in Zijn macht zijn zoals klei in de handen van de pottenbakker, die uit dezelfde klei vaatwerk maakt, sommige stukken vaatwerk tot eer, andere tot oneer[6].”
Theo: Zonder twijfel heb je erover nagedacht waardoor Spinoza zichzelf zo merkwaardig op de hals heeft gehaald dat zijn vrienden hem miskenden.
Philo: Inderdaad, en ik ben steeds weer bij de oorzaken terechtgekomen waarop je mij in het begin hebt gewezen.
Allereerst zijn het de harde formuleringen, die in een niet voor uitgave voorbereide, na zijn dood verschenen werk met andere zijn vergeleken, en in elk geval milder uitgelegd zouden moeten worden. Spinoza noemt bv. de menselijke ziel een deel van het goddelijke verstand, in zoverre als zij zich de dingen naar de waarheid voorstelt, en noemt deze duidelijke begrippen in de ziel “begrippen Gods”, niet in zoverre dit (deel van het goddelijke) verstand oneindig is, maar in zoverre als het door de natuur van de menselijke ziel wordt uitgedrukt en er het wezen van uitmaakt, of in zoverre het hiermee ook andere begrippen denkt: met deze formuleringen (men hoeft slechts de woorden “in zoverre als” weg te laten) lag een misverstand voor de deur, dat zijn gehele systeem omver kon werpen. Lichamen en zielen werden zo als delen van Hem gezien, die voor Spinoza ondeelbaar was. Men voegde lichamen toe, men telde menselijke gedachten op en zei: “Zie Spinoza’s God! Het oneindige verstand is bij hem niets anders dan de optelsom van alle menselijke gedachten, ook die van dieven en narren.” Als men overwogen zou hebben, dat gedachten en denkwijzen niet opgeteld kunnen worden, dat ze (wat niet kan) opgeteld geen kracht vormen die in zichzelf ondeelbaar is en ondeelbaar moet zijn in al haar uitwerkingen; als men overwogen zou hebben, dat volgens Spinoza er slechts één Oerkracht is waarin een levend begrip de orde en verbindingen van alle begrippen omvat, en niet alleen van begrippen maar ook van dingen, en ze ook daadwerkelijk tot uitdrukking brengt, zou men hem dan de onzin hebben toegeschreven, die zó met zijn systeem in tegenspraak was, die zó vloekt met elk gezond verstand? Een paar lastige formuleringen waren daarvan de schuld. Als hij een ander taalgebruik had gehanteerd, dat hem mogelijk minder had gelegen, dan zou men hem vergeven kunnen hebben.
Evenzo was het voor hem schadelijk, dat hij menige pregnante uitdrukking niet verder uitlegde, terwijl op de betekenis ervan zoveel aankwam. Bijvoorbeeld: “Wanneer elk van de oneindige attributen van God ook in al zijn verschijningsvormen (modi) en veranderingen een oneindig, eeuwig Wezen moet uitdrukken”: wat betekent dan hier het pregnante woord “uitdrukken”? Zijn deze verschijningsvormen enkel symbolen, of zijn het zich uitdrukkende karakters? Zijn het representanten en bestaansvormen (Darstellungen) van het eeuwige Wezen, dat hun wezen en bestaan uitmaakt? Tot degene die wil begrijpen, heeft Spinoza genoeg gezegd, want zijn werk is van begin tot einde een idee. Wie over woorden wilde twisten, vond des te meer om over te twisten.
Dan tenslotte zijn op zichzelf genomen voortreffelijke synthetische methode. Deze paste hier niet zo goed, in elk geval dwong ze hem tot vooronderstellingen en formuleringen die, eenmaal door analyse gevonden, helemaal niet zo opgevallen zouden zijn, bv. substantie, attribuut, modus, enz. Vind jij ook niet, Theo, dat in zijn analytische vorm Spinoza’s hele systeem niet zo aanstootgevend zou zijn?
Theo: Lessing kon zich dat zeker zo voorstellen. Wat denk je, Philo, stel dat Spinoza weer zou verschijnen, wat zou hij dan tot hen zeggen die hem als een atheïst, een pantheïst, een God-verdeler, God-opteller enz. beschouwen?
Philo: Mij dunkt, in alle bescheidenheid, maar zeer beslist zou hij zeggen[7]: “Wat maken jullie van mijn systeem, waarvan jullie de basis, een enkel en eeuwig idee, verwoesten? Hebben modificaties dan geen enkele innerlijke realiteit, zijn uitdrukkingen mogelijk zonder iets dat zich erdoor uitdrukt, zijn gedachtengangen denkbaar zonder een onbeperkte, erin doorwerkende kracht? Kon ik maar in een taal, die mij minder goed ligt, doen wat ik kon om jullie een voorstelling te geven van het zuivere begrip en genot van een ondeelbare kracht die in, door en uit zichzelf alles voelt, op alles inwerkt en alles tot stand brengt, machtig vanuit Zijn diepste innerlijk; als ik dit wezenlijke op dezelfde manier in jullie zelf tot stand zou brengen, om jullie daardoor tot de hoogste vreugde en zaligheid te leiden: nou? Jullie wilden mij toedichten dat ik het Ene tot niets, en het meest daadkrachtige Wezen tot een lege buidel heb gemaakt, tot een algemene benaming voor schaduwen die zonder licht niet eens schaduwen konden zijn, en dat ik de zon zou hebben uitgedoofd om uit alle vonkjes van lichtwormen een on-zon te fabriceren – asjeblieft, ik smeek jullie, lees andere geschriften die mogelijk niet in de geest, maar in de formulering onvoltooid zijn.”
Thgeo: Genoeg, je had het over het waardevolle dat je verder nog in dit boekje[8] had gevonden.
Philo: Het waardevolle was voor mij de manier van denken van de schrijver, die ook in het gesprek over Lessing voornamelijk hierop neerkomt, dat “spitsvondig zijn niet het hele arsenaal van de menselijke denkkracht is. Zoals aan alles, zo ligt ook aan de edelste krachten van onze natuur het “bestaan” (Dasein) ten grondslag. Dit kan niet in haarkloverijen worden opgelost of zomaar weg-geredeneerd worden. Zonder bestaan (Existenz) en zonder bestaansvormen (Exeistenzen) zou de mens niet denken zoals hij denkt. Daarom zou het doel van zijn gedachten moeten zijn niet om voor zichzelf hersenspinsels te dromen en te spelen met zelfgemaakte werkelijkheid van schijnbegrippen en schijnwoorden, maar, zoals hij het noemt, “bestaan” (Dasein) te ontdekken, en dit als een gegeven ding aan te nemen, of (zoals hij het noemt) als een openbaring van God , waar men niet omheen kan. Zijn zintuigen moet men door ervaring, en zijn innerlijke zintuigen moet men door waarheidsliefde, orde en samenhang in het denken reinigen en aanscherpen. Willekeurige verbindingen van bestaansloze schijnbegrippen moet men uit de weg gaan en daarvoor in de plaats leren kennen wat er daadwerkelijk is, in al zijn eigenschappen en onderlinge verhoudingen die maken dat het er is. Zulke kennis, verbonden met een innig gevoel voor de waarheid, is de ware kennis, alleen dit kan de geest verhelderen en het hart vormen, en brengt orde en regelmaat in ons leven. In tegenstelling hiermee maakt die muggenzifterij, niet voorbereid met een bestaan van buiten en een stel regels voor de waarheid van binnen, het hoofd dor en het hart leeg.”
Theo: Voortreffelijk! Die menselijke kennis zonder en vóór alle ondervinding zijn louter zinnelijke beschouwingen, ondingen die ieder die zijn eigen bestaan waarneemt, een verdord hoofd bezorgen. Ze missen elk gevoel voor een onderwerp dat met door niemand ingeplante vormen van denkkracht is doorleefd. Ook wij, Philo, hebben in ons gesprek de heilige naam dikwijls slechts als symbool moeten gebruiken. Wat dacht je ervan om deze luchtstroom te onderbreken? Jij kent en spreekt de verkwikkende taal van de klanken. Welaan dan, hier is hun instrument:
Philo: Deze taal van de geest spreek ik graag.
Looft de Geweldige, de genadige Heer
Gij werelden van Zijn Al!
Gij zonnenlegers, vlamt tot Zijn roem
Gij aarde, zingt Zijn lof!
De echo love Hem, en de natuur
Zing’ Hem een blij concert
En gij, der aarde heer, o mens, vervliet
In harmonieën gans!
Want meer dan alles heeft Hij u bedacht,
Bedeelde u met geest,
Die dringt door alles heen, doorvorst
De raad’ren der natuur.
Verhef Hem hoog tot uwe zaligheid,
Hij behoeft geen lof tot zijn geluk,
De kuiperij en laster vluchten
Als gij u tot Hem wendt.
De zon rijze nooit uit rode vloed,
En zinke nooit daarin,
Als gij vereent uw stemmen niet
Met de stem van de natuur.
Looft Hem in regen en in dorre tijd,
In zonneschijn en storm,
Als ’t sneeuwt, als vorst uit water bruggen bouwt,
En als de aarde groent!
In overstromingen, in oorlog, pest,
Volgt Hem en zingt Hem lof,
Hij zorgt voor u, want Hij schiep tot geluk
Het menselijk geslacht.
En o, hoe liefdevol zorgt Hij voor mij!
In plaats van roem en goud
Gaf Hij mij kracht, de waarheid in te zien
En vriend’- en snarenspel.
Behoudt mij Heer, hetgeen U aan mij gaf!
Meer heb ik niet van nood’
Met heil’ge schroom wil ik, onmachtige,
U prijzen eeuwiglijk.
In donk’re wouden wil ik mij alleen
Met u nog bezig zijn,
En zuchten luid, en naar de hemel zien,
Die door de takken kijkt.
En aan de stranden van de zee vertoeven,
U zie ‘k in elke golf,
En horen U in storm, en u bewonderen
In beemd en bloemtapijt.
Ik wil verrukt de rots beklimmen,
Door wolkenflarden zien,
En zoeken u bij dag, tot mij de nacht
De heil’ge sluimer brengt.
Theo: Dank je Philo. Zou men niet van de muziek kunnen zeggen wat Vanini van zijn strohalm zei: “Als ik zo ongelukkig was aan het bestaan van God te twijfelen, en ik zou muziek horen, dan zou zij mij van Hem het overtuigend bewijs zijn?
Philo: Dan denk je nog erg ouderwets, Theo, want sinds kortgeleden is het ons duidelijk gemaakt dat er geen bewijs van God kan zijn.
Theo: En ik zou willen beweren dat zonder het begrip van God, d.i. van een zelfstandige Waarheid, er geen intellect, laat staan een bewijs zou kunnen zijn.
Copyright: Erik Tjallinks
[1] (noot van Herder) Nog bevredigender is dit te zien in enkele opstellen van Lessings nagelaten werken (Lessings Leben und Nachlass, deel 2, blz. 164). Onweerlegbaar tonen ze het heldere en zuivere begrip aan dat Lessing van Spinoza had, en wijzen ze de grappen in het gesprek naar de plaats waar ze thuishoren.
[2] Friedrich Heinrich Jacobi (1743 – 1819) was an influential German philosopher, literary figure, socialite and the younger brother of poet Johann Georg Jacobi. He is notable for coining the term nihilism and promoting it as the prime fault of Enlightenment thought particularly in the philosophic systems of Baruch Spinoza, Immanuel Kant, Johann Fichte and Friedrich Schelling.[1] Instead of speculative reason, he advocated Glaube (variously translated as faith or “belief”) and revelation. Was een invloedrijk filosoof en literator. Hij is bekend door zijn uitvinding van het woord “nihilisme”, waarvan hij bijna de gehele filosofie van de Verlichting beschuldigde, incl. Spinoza, Kant, Fichte en Schelling. In plaats van speculatief te filosoferen, bepleitte hij het geloof en de openbaring. (http://en.wikipedia.org/wiki/Friedrich_Heinrich_Jacobi ).
[3] (noot van Herder) men zie hierover Wolffs weerlegging van het Spinozisme, deel 2 van zijn “Natürliche Gottesgelährtheit”, par. 671 e.v., die bij de Duitse vertaling van Spinoza’s Zedenleer (Ethica) is gevoegd.
[4] (noot van Herder) Epist. 23, Opp. Posth., 453.
[5] Voorbeeld van “harde formulering”, zoals het in de gesprekken wordt genoemd. God koppelen aan een noodzaak klinkt absurd, omdat het woord noodzaak in de meeste westerse talen alleen wordt gebruikt bij een dwingende macht die ertoe leidt dat zich een bepaalde situatie voordoet, of iemand iets bepaalds doet of is. Bij God is dat alleen voorstelbaar vanuit het omgekeerde: “God kan niet zichzelf niet kennen”. Zo geformuleerd klinkt het veel minder provocerend.
[6] Verwijst naar de brief van Paulus aan de Romeinen: ’Zal het geboetseerde soms tot zijn boetseerder zeggen: waarom hebt gij mij zo gemaakt? Of heeft de pottenbakker niet de vrije beschikking over het leem om uit dezelfde klomp het ene voorwerp te vervaardigen tot eervol, het andere tot oneervol gebruik?’ (Romeinen, 9:21). Deze zinsnede kan Spinozistisch worden opgevat, maar ook als een argument voor Calvinistische predestinatie.
[7] Het is zeer discutabel of de bescheiden Spinoza de tirade die nu volgt, zou hebben gehouden. Vanaf hier draagt het vierde gesprek een sterk apologetisch Sturm- und Drang – karakter. Mogelijk is dit het gevolg van de destijds felle discussies en polemieken over diverse theologisch-filosofische zienswijzen en onderwerpen waar Herder hartstochtelijk aan meedeed, ook bv. in zijn kritiek op zijn leermeester Kant. Herder was het oneens met Spinoza (daarom noemt hij zichzelf geen Spinozist) vanwege Spinoza’s methode (systeembouw), maar inhoudelijk was hij het in grote lijnen met hem eens.
[8] G.E. Lessing: Über die Lehre des Spinoza, Breslau, 1768.
0 Reacties tot “Aflevering 19 van J.G. Herder: “God” (een serie gesprekken over Spinoza)”