Archief voor november, 2011

21
nov
11

Aflevering 20 van J.G. Herder: “God” (een serie gesprekken over Spinoza)

Zelfs al laat ik de oorsprong buiten beschouwing van welke kracht dan ook die denkt, handelt of werkt, en die geen zichzelf respecterend filosoof kan ontkennen, dan nog is de onderlinge verwevenheid van deze krachten, die alle volgens hun eigen aard werkzaam zijn en zich in mijn ziel met elkaar verweven, voor mij bewijs genoeg. Ze wijzen overduidelijk op een essentiële, innerlijke waarheid, overeenstemming en volmaaktheid, hun bestaan impliceert deze gewoonweg. Dat er denkbare dingen zijn, en dat deze op ontelbare manieren volgens innerlijke regels verbonden kunnen worden, waardoor harmonie en orde ontstaat, dat is voor mij al een bewijs van het bestaan van God, ook al zou ik een ellendige egoïst zijn, die denkt dat hij het enige denkende wezen in de wereld is. Tussen elk subject en bijbehorend predicaat staat een “is” of “is niet.” Dit “is”, dit woordje voor gelijkstelling en overeenstemming van verschillende begrippen, het gewone = – teken, is mijn bewijs van God. Want, nogmaals gezegd, er is een intellect, een verwevenheid van het denkbare in de wereld volgens onveranderlijke regels. Daardoor moet er een essentiële grond zijn voor deze verwevenheid. De regels hiervan heeft niemand willekeurig verzonnen, net zo min als een in ruimte en tijd gevangen, denkend wezen ze uitvoert. Die verwevenheid is in de geestelijke wereld datgene, wat het evenwicht in de lichamelijke wereld is: ze draagt haar innerlijke noodzaak met zich mee. Er is dus zulk een innerlijke noodzaak, d.i. een zelfstandige waarheid.

Philo:  En deze zelfstandige waarheid woont…

Theo:  In alles wat er is, zowel objectief als subjectief beschouwd. Onze kennis is voortgekomen uit onze zintuigen en ondervindingen: wij moeten waarnemen, wat overeenkomt bijeenhouden, algemene begrippen uit verschillende individuele verschijnselen destilleren en verklaren. Dit alles is een weg waarop vergissingen bij het waarnemen, uit elkaar houden en verbinden van begrippen niet alleen mogelijk, maar ook onvermijdelijk zijn: een onafwendbaar lot van de mensheid. De regel in onze ziel echter, volgens welke wij waarnemen, uit elkaar houden, verbinden en concluderen, is een goddelijke regel: ook in dwaling hebben wij ernaar gehandeld, en moesten we er zelfs naar handelen, zelfs wanneer al onze gedachten wanen waren geweest. Neem bijvoorbeeld zuivere waarheden zoals die van de meetkunde. Voor onze zintuigen is er in de hele natuur geen volmaakte cirkel te vinden. Maar ook dan nog toont mij de meetkundige cirkel in mijn gedachten, met alles wat daarin volgens innerlijke noodzaak gesteld en bewezen wordt, dat er een zelfstandige, goddelijke waarheid is. Ze bewijst mij namelijk dat er een wiskundig intellect in de wereld bestaat, en hoewel onze zintuigen het niet toelaten dat wij haar om ons heen zien en kunnen toepassen, toch vertelt ons elk zintuig volgens zijn eigen structuur en functie, samen met het in ons wonende intellect volgens de hem eigen natuur, het volgende: als er denkende wezens zijn die met nog fijngevoeliger zintuigen de wereld aanschouwen, dan zullen zij volgens juist deze zelfde noodzakelijke regel denken. Ook vertellen de zintuigen en ons intellect ons, dat het Wezen, dat de Oorzaak van mijn en elk ander intellect is, diezelfde innerlijke gedachtenwetten op de meest excellente wijze moet kennen, en dat dit Wezen niet anders kon doen, dan de werking van deze wetten ten grondslag te leggen aan het bestaan zelf. Je zwijgt, Philo?

Philo:  En stel nu eens, dat een kritische filosoof jouw bewijs alleen maar een hypothese zou vinden, immers stel, dat er niet zo een intellect zou zijn[1]?

Theo:  Dan is er maar geen. Een filosoof die zijn verstand opgeeft of intellect ontkent, kan inderdaad geen bewijs, waarvan dan ook, accepteren. Maar nu zonder gekheid: zodra de filosoof een filosoof wordt, d.i. zodra hij intellect erkent en voor zichzelf een idee heeft gevormd van wat het is, zal het intellect voor hem op wezenlijke, noodzakelijke wijze de onderlinge betrekkingen van de waarheden bevatten. Ik durf te zeggen, dat dit het enige echte bewijs voor het bestaan van God is. (Meer dan één echt bewijs kan er trouwens niet zijn), dat bij alle bewijzen terugkomt, maar dat nergens zo duidelijk en helder naar voren komt als bij ons intellect.

Voor alle bewijzen uit de natuur bijvoorbeeld, waar wij noodzakelijke wetten van beweging en van rust, van de toestand der dingen volgens de onderlinge verhouding van hun innerlijke krachten, gelden dezelfde regels die wij ook het zuiverst bij ons intellect opmerken, namelijk: “dat elk ding is, wat het is[2], dat zijn essentie (Wesen) op krachten berust, zijn toestand op een harmonie van deze krachten, en zijn werking op de verhouding hiervan tot andere dingen. En dit alles niet uit willekeurige bedoelingen, die wij helemaal buiten beschouwing laten, uit innerlijke wetten van noodzaak, waaruit toestand en verstoring, rust en werking volgen.” Elke waarachtige fysio-theologie[3] ontwikkelt dus niets anders dan eeuwigdurend intellect en kracht volgens noodzakelijke wetten, in de bouw van schepselen, in hun hele verhouding tot plaats en tijd. Ze komt overal tot één en dezelfde uitkomst, één en dezelfde aanschouwing in duizend voorbeelden en onderwerpen, van het onooglijk kleinste tot het onoverzienbaar grootste.  De muziek bijvoorbeeld, waarvan je mij liet genietenis een uitdrukking van noodzakelijke, eeuwige harmonie, ook als mijn oor het niet zou horen, ook als (het genot van het horen van muziek buiten beschouwing gelaten) slechts een intellect haar zou berekenen meten. Dat mijn oor en mijn gevoel voor de muziek geschapen zijn en dat de muziek op zo vele met mij gelijkgestemde wezens dezelfde uitwerking heeft: dat alles maakt het bewijs van de erin wonende harmonie weliswaar levendiger, maar voegt niets toe aan de bewijskracht. Want ook als geen oor in de wereld de muziek hoort, en de essentie van de muziek slechts door een rekenend intellect bedacht waren, dan nog zou het bewijs toereikend zijn.

Philo:  Ik moet mijn scherts herhalen: stel, dat er helemaal geen rekenend intellect zou zijn?

Theo:  Dan moet ik ook mijn antwoord herhalen: als er geen rekenend intellect is, dan is er ook niets wat berekend is, en dus ook geen harmonie en orde, die een berekening zijn van het intellect. Als we al het denkende wegdenken, dan is er niets denkbaars, als we de hele werkelijkheid wegdenken, dan is er niets werkelijks. Waar komen we terecht met zulke sofismen[4]? En zijn ze de filosofie waardig? Vertrap de eeuwige grondbeginselen van het intellect en los ze op in hypothetische woordspelletjes zonder bestaan en zonder noodzakelijk erkennen van een innerlijke waarheid: vanzelfsprekend is zo geen aantoonbaarheid mogelijk, niet van één bestaan, maar van geen enkel bestaan. Wat heb je daarmee anders gedaan dan de grondslag van elk denken af te schaffen? En hoe is nu zonder samenhangend denken filosoferen mogelijk? Als mijn zintuigen mij al van het bestaan overtuigen op de hun eigen wijze, d.w.z. op een vage, verwarde manier, hoe zou mij  mijn intellect (Vernunft) van het bestaan overtuigen op de aan het intellect eigen wijze, d.i. door duidelijk aan elkaar verbonden, volledige begrippen? Verlang ik echter van jou, dat je mij jouw begrippen als zintuiglijke waarnemingen  zonder zintuiglijke waarneming geeft, of dat je mij het bestaan aantoont van zintuiglijk waarneembare voorwerpen die zich buiten jouw waarnemingsgebied bevinden, als zuivere verstandswaarheden, en ik jou zou verwijten dat je mij dat niet kon of wilde geven, dan is mijn verwijt net zo onzinnig als wanneer ik kleuren wilde horen, licht proeven, of galm zien. Wij willen ons ervoor hoeden, Philo, dat wij nooit in deze omgeving van de “hyperkritiek van het gezonde verstand”[5] terechtkomen, waar men zonder materialen bouwt, zonder ervaringen weet, en zonder krachten iets vermag. De begrippen van dit rijk zijn als fata morgana: schijnbare juistheden van teruggekaatste beelden zonder houding, zonder duur, de slechtste fantasieën van de wereld, speculatieve fantomen, een woestijn van taal.

Philo:  Je bouwt je bewijs derhalve niet op het begrip van oorzaak en werking[6]?

Theo:  Ik neem deze begrippen uit de ondervinding; op het gebied van de bewijsvoering kan ik ze echter niet anders dan onder het begrip van het bestaan (Dasein)  overplanten, omdat ik niet goed kan inzien wat de oorzaak is, noch wat de werking is, en nog minder wat de verbinding is tussen beide. Bij geen enkele ervaring kan bewezen worden wat de uitwerking is van die oorzaak[7], hoewel wij wel zintuiglijk duidelijk merken of vermoeden, dat ze het wel moet zijn, omdat we beide dikwijls tegelijk of na elkaar zien optreden. Het is je bekend, welke misvattingen hier zelfs in het verloop van de dagelijkse ondervinding bij de gewoonste dingen dikwijls zijn voorgekomen. De reden waarom dit voorkwam is duidelijk zichtbaar, omdat elke aanname over oorzaak van een werking, of omgekeerd over werking van een oorzaak, als ervaringsregel nooit bewijs, maar altijd slechts een vermoeden in het rijk der zintuigen was. Wij weten niet wat kracht is, noch hoe zij werkt. Wij zien haar werking slechts als toeschouwer, en vormen ons daarbij passende oordelen. Zelfs de algemene regels hierover, die wij allerduidelijkst bewaarheid zien, kunnen wij nooit bewijzen[8]. Wat zouden we inniger moeten kennen dan de kracht die in ons denkt en werkt? Toch kennen we haar net zo weinig als elke andere, die buiten ons is. Zelfs de gedachten van mijn ziel, als werkingen beschouwd, begrijp ik niet. Slechts dan zijn ze voor mij begrijpelijk, als ik ze immanent als “bestaan”(Dasein)  d.i. als ëeuwige waarheden behorend tot mijn verstand (intellect)” onder de regel van een innerlijke noodzakelijkheid kan brengen. Tot hiertoe heb ik ook met betrekking tot God mijn bewijs beperkt. Wie teveel wil bewijzen, loopt het risico dat hij niets bewijst. 

Philo:  Dus je wilt voor jezelf ook geen verklaring over de aard van de schepping, of deze voortbrenging, emanatie of iets dergelijks is?

Theo:  Hoe zou ik dat kunnen, als ik niet weet wat schepping, wat voortbrenging betekent? De algemene manier waarop men zich dit voorstelt, is dat God de wereld uit Zichzelf naar buiten heeft gedacht. Ze schijnt de zuiverste wereld te zijn, omdat wij van een zuiverder werking dan die van de gedachten van onze ziel, geen begrip hebben. Ook zijn Leibniz en andere heldere denkers hiervan uitgegaan, omdat de ervaring hun geen beter beeld gaf, en de taal geen betere uitdrukking. De gedachten van onze ziel, zo zegt men, zijn op zichzelf onwerkzame beelden. De gedachten van God, vergezeld van inherente almacht, waren hoogst werkzaam. Hij dacht, en het werd. Hij wilde, en daar stond het. Ik geloof, dat er over een voor ons onverklaarbare zaak geen betere manier van uitdrukken bestaat.

Intussen geeft ze ons over het wezenlijke van de werking geen uitsluitsel. Veeleer moet men zich ook bij dit “naar buiten” voor kwalijke symboliek hoeden. De grove manier van voorstellen bijvoorbeeld, dat God na miljoenen eeuwigheden de weredl “uit Zichzelf” naar buiten heeft gedacht, is onverdraaglijk.

Philo:  De grovere emanatie zal dat voor jou dus nog meer zijn, en toch beschuldigt men zelfs Spinoza ervan, dat hij zijn systeem aan de Joodse Kabbala heeft ontleend[9].

Theo:  Wie heeft jou op dat idde gebracht, Phil?

Philo:  Het is een algemeen verbreide opvatting waar Spinoza zelf aanleiding toe gegeven heeft[10], en die vooral Wachter[11] verder heeft verspreid.

Theo: Wachter was een geleerd man, die ik op alle gebieden hoogacht, behalve op het gebied van de filosofie. Als een reizende jongeling van in de twintig streed hij tegen een Jood, en wilde het Spinozisme in het Jodendom vinden. Enkele jaren later werd hij zelf een vriend van de Kabbala, en wilde de ideeën die hij eerst koesterde, met Spinoza’s  leer verenigen[12]. Mij dunkt, dat de filosofie van Spinoza veel te veel verschilt van de Kabbala, om de ene uit de andere te kunnen verklaren, dat is vergeefse moeite. De Kabbala is een symboliek van goed en kwaad, in het algemeen echter vol dweperige, vage voorstellingen in absurde beelden, waarmee de zuivere, heldere geest van Spinoza geen genoegen kon nemen, anders was hij immers wel Jood gebleven. In heel zijn Ethica vind je geen enkele beeldspraak, en zijn weinige gelijkenissen zijn hem bijna noodlottig geworden. In dit opzicht is hij een tegenvoeter van de Kabbala, hoewel hij natuurlijk als kind van het Jodendom en leerling van de beroemde Morteira[13], toch wel een Hebreeuwse kijk op de dingen in de Cartesiaanse filosofie had gebracht. De eerste manier van denken die wij als jeugdige opdoen, verliezen we nooit helemaal, en omdat Spinoza met het cartesiaanse systeem als met een vreemde taal in aanraking kwam, was het niet meer dan natuurlijk, dat hij deze taal aanpaste aan zijn moedertaal, waar hij eveneens op synthetische wijze zich met het wezenlijke begrip van God ging bezighouden. Met de eigenlijke Kabbala echter, en nog minder met haar emanaties (die ook niet door de Joden zijn uitgevonden, en nog minder van de Joodse theologie deel uitmaken) heeft Spinoza’s systeem niets te maken. Waar hij de woorden “voortbrenging, werking” moet gebruiken, daar gebruikt hij ze, zonder de aard van de voortbrenging nader uit te leggen. Het liefste echter gebruikt hij het woord “uitdrukking”. “De wereld drukt eigenschappen van de Godheid uit, op de ene na de andere oneindige wijze.” Deze betoogtrant is eerder mathematisch dan kabbalistisch. Over “uitstromen uit God” heeft Spinoza het nooit. Een wiskundig denkend persoon zal dit soort beeldspraak liefst niet bezigen. Om de werking Gods te verklaren, bediende Leibniz zich een keer van de uitdrukking “fulguratio” (door L. zelf geconstrueerd Latijns woord, afgeleid van fulgor = straling, bliksem – vert.), waarbij hij op het beeld van de zonnestralen zinspeelde. Bij Kästner[14] kun je lezen hoe men dit beeld daarna belachelijk heeft gemaakt. Dus als wij over God spreken, liever geen beeldspraak! Ook in de filosofie is dit ons eerste gebod, net zoals in de wet van Mozes.

Copyright: Erik Tjallinks


[1] Inderdaad is het “bewijs” van Theo als een hypothese geformuleerd volgens moderne, “Popperiaanse” kriteria voor wetenschapsbeoefening en theorievorming, die stelt dat geen uitspraak “waar” kan zijn omdat er altijd de mogelijkheid bestaat dat nieuwe ontdekkingen en waarnemingen de “waarheid” ervan ondergraven of geheel teniet doen. Uitspraken kunnen slechts “geldig” zijn, d.w.z. als “onderdeel van een theorie”. Echter, in de tijd van Herder werd er nog naar “waarheid” gezocht, en was het onderscheid tussen wetenschap en theologie en/of godsdienst nog niet, zoals nu, algemeen aanvaard.

[2] Mogelijk verwijzend naar het onderscheid dat Herders leermeester Kant maakte tussen “das Ding an sich” en “das Ding für sich”, en waar Herder het niet mee eens was. De mening (het “bewijs”) van Herder wordt dan in deze alinea verder uitgewerkt.

[3] Fysio-theologie: “leer van de verhouding tussen God en de waarneembare natuur”. Thans niet meer onder die naam als discipline beoefend.

[4] Sofisme: spitsvondig argument dat op verkeerd gebruik van logica of op niet ter zake doende zijpaden is gebaseerd.

[5] Wederom (sarcastische) verwijzing naar Kants’ “Kritik der reinen Vernunft”, dat door Herder op latere leeftijd op essentiële punten fel is bestreden.

[6] In moderne woorden: “oorzaak en gevolg”. “werking” is eigenlijk beter in dit verband, doordat bedoeld wordt: “gevolg binnen een harmonisch verband”. Zuiver “gevolg” laat dit in het midden.

[7] Bv. Kant vond dat dat wel kon, bv. als we een steen zien vallen, is ons verstand in staat de zwaartekracht aan te wijzen als de oorzaak van de neerwaartse beweging van de steen. 

[8] Dit wordt bevestigd door de “waarheidsvinding” in de rechtspraak, waar een onomstotelijk bewijs – ook als dit niet zo sterk is als door Herder wordt vereist – dikwijls moeilijk te leveren is. Ook wordt het bevestigd in moderne natuurkundige theorieën: we weten nog steeds niet wat de bekende “krachten” zijn, hoewel we wel verschijnselen waarnemen op grond waarvan we aannemen, dat die krachten bestaan. Verder spotten de kleinste deeltjes (bestudeerd in de kwantum-mechanica) met “wetten” van oorzaak en gevolg, zelfs met die van de wiskunde.

[9] Emanatie: Emanatie is een uitvloeiing, uitstorting, uitstraling of een voortvloeiïng van iets. Essentieel hierbij is dat de eigen wezenheid of eigenheid van de bron waaruit de uitvloeiing plaats heeft gevonden opgaat in het resultaat van zijn uitvloeiing. Op zichzelf genomen dus niet iets dat haaks staat op de opvattingen van Theo (lees: Herder) maar in de Kabbala vindt het ontstaan van de kosmos plaats via een viervoudige serie van tien emanaties, in de ogen van een door Spinoza beïnvloed denker als de (latere) Herder,  een fabeltje.

[10] (noot van Herder, Spinoza citerend in het Latijn, vertaling van mij): “Dat alles in God is en in God bewogen wordt, bevestig ik met Paulus; ik zou ook durven zeggen, met alle oude Hebreeën, zoals vermoed kan worden uit hun overleveringen, welke op zovele manieren zijn vervalst.” (Epist. 21, opp. Posth., p. 449)

[11] Johann Georg Wachter (1663 – 1757), Duits letterkundige, die zich “aan de rand” bevond van de erkende filosofische wereld, en tijdelijk in Amsterdam woonde. Doordat hij als letter- en taalkundige naam maakte, werden zijn ideeën over Spinoza en de kabbala ook bekend.

[12] (noot van Herder) Het eerste geschrift heette: “Het Spinozisme in het Jodendom, of De door het Jodendom en zijn geheime Kabbala vergoddelijkte wereld (…), onderzocht en weerlegd door J.G. Wachter”, Amsterdam 1699. Het 2de geschrift: “Kabbalistisch Overzicht, of een Commentaar op de geheime filosofie van de Hebreeën, opgesteld door J.G. Wachter” Rom. 1706. (Hij vindt twintig overeenkomsten tussen Spinoza’s systeem en de Kabbala)

[13] Saul Levi Morteira (1596-1660), een in Italië geboren Portugese rabbi en Joods theoloog. Spinoza behoorde tot de door hem geleide Joodse gemeenschap in Amsterdam, en werd onder zijn leiding in 1656 uit deze gemeenschap in verbannen.

[14] A.G. Kästner (1719-1800), Duits wiskundige. (Men ziet hoe ook wis- en natuurkundigen zich in die tijd enthousiast met theologie bemoeiden, ook Leibniz was een briljant wiskundige)

15
nov
11

Aflevering 19 van J.G. Herder: “God” (een serie gesprekken over Spinoza)

Theo:  En toch vind ik het niet onplezierig dat ook dit afgebroken gesprek bekendgemaakt is. De gestorvene kan niet worden geschaad door hetgeen waar de zwakke sektenmaker hem voor houdt, en voor ons is het aangenaam om te zien dat voor zo’n uitnemend denker als Lessing Spinoza niet onopgemerkt is gebleven[1]. We hebben ook iets gezien van wat hij nog van hem had kunnen maken, als hij tijd en moeite had genomen om Spinoza’s systeem uiteen te zetten en in de hem eigen klare taal over te brengen. In het boek van zijn vriend zal jij zeker ook veel waars en schoons gevonden hebben, mannelijk schoons zogezegd.

Philo:  Zeker. Alleen moet ik oprecht bekennen, Theo, dat ik met zijn “persoonlijke, boven- en buitenaardse Godheid” net zo weinig uit de voeten kan als Lessing. God is geen wereld, en wereld is geen God, dat blijft overeind. Maar met boven- en buiten (supra- en extra-)  is het nog niet klaar. Wanneer men over God spreekt, moet men alle beelden van ruimte en tijd vergeten, anders is onze moeite vergeefs.
Ten tweede kan ik er niet mee overweg, dat Jacobi
[2] het niet eens is met het begrip dat ik nu van Spinoza heb, en waar wij beiden het toch punt voor punt over eens waren. Hierdoor kan ik het ook niet met de Conclusies eens zijn. (Citeert Jacobi) “Spinozisme is atheïsme. De Leibniz-Wolffse filosofie is niet minder fatalistisch dan de Spinozistische. Elke weg van bewijsvoering loopt uit op fatalisme” enz. Want naar mijn idee is Spinozisme, zoals Spinoza het zich voorstelde, geen atheïsme. Ook is door de harde formuleringen van Spinoza de Leibniz-Wolffse noodzakelijkheid niet dezelfde als die van Spinoza[3], en dan moet men zich door het woord “fatalisme” net zo min laten afschrikken als door enig ander woord. Horen wij wat Spinoza hierover zelf zegt[4]: “Op geen enkele wijze onderwerp ik God aan een fatum (=noodlot). Dat alles met onontkoombare noodzaak uit de natuur Gods volgt, stel ik mij op dezelfde wijze voor als iedereen dat doet, en ook dat uit Gods natuur volgt, dat God zichzelf kent. Dit wordt door niemand ontkend, en niemand denkt daarbij dat God door het noodlot gedwongen zichzelf kent. Hij kent zich vrij, hoewel noodzakelijk[5].
“Noch goddelijke, noch menselijke rechten heffen deze natuurlijke noodzakelijkheid op. De morele voorschriften zelf (ipsa moralia documenta), onverschillig of ze al dan niet in de vorm van wetten of rechtsregels zijn gegoten, zijn goddelijk en heilzaam. Het goede, dat uit de deugd en de liefde tot God volgt, wordt door wetten of rechtsregels niet meer, noch minder waardevol. Evenzo wordt het kwaad, dat uit kwaadaardige handelingen en neigingen volgt, niet meer of minder vreselijk doordat het uit deze handelingen en neigingen volgt. In onze handelingen worden wij uiteindelijk gedreven door vrees en hoop, ongeacht of we ze uit noodzaak of uit toeval doen.
“Voor God zijn mensen niet in staat tot verontschuldiging, omdat zij in Zijn macht zijn zoals klei in de handen van de pottenbakker, die uit dezelfde klei vaatwerk maakt, sommige stukken vaatwerk tot eer, andere tot oneer
[6].”

Theo:  Zonder twijfel heb je erover nagedacht waardoor Spinoza zichzelf zo merkwaardig op de hals heeft gehaald dat zijn vrienden hem miskenden.

Philo:  Inderdaad, en ik ben steeds weer bij de oorzaken terechtgekomen waarop je mij in het begin hebt gewezen.
Allereerst zijn het de harde formuleringen, die in een niet voor uitgave voorbereide, na zijn dood verschenen werk met andere zijn vergeleken, en in elk geval milder uitgelegd zouden moeten worden. Spinoza noemt bv. de menselijke ziel een deel van het goddelijke verstand, in zoverre als zij zich de dingen naar de waarheid voorstelt, en noemt deze duidelijke begrippen in de ziel “begrippen Gods”, niet in zoverre dit (deel van het goddelijke) verstand oneindig is, maar in zoverre als het door de natuur van de menselijke ziel wordt uitgedrukt en er het wezen van uitmaakt, of in zoverre het hiermee ook andere begrippen denkt: met deze formuleringen (men hoeft slechts de woorden “in zoverre als” weg te laten) lag een misverstand voor de deur, dat zijn gehele systeem omver kon werpen. Lichamen en zielen werden zo als delen van Hem gezien, die voor Spinoza ondeelbaar was. Men voegde lichamen toe, men telde menselijke gedachten op en zei: “Zie Spinoza’s God! Het oneindige verstand is bij hem niets anders dan de optelsom van alle menselijke gedachten, ook die van dieven en narren.” Als men overwogen zou hebben, dat gedachten en denkwijzen niet opgeteld kunnen worden, dat ze (wat niet kan) opgeteld geen kracht vormen die in zichzelf ondeelbaar is en ondeelbaar moet zijn in al haar uitwerkingen; als men overwogen zou hebben, dat volgens Spinoza er slechts één Oerkracht is waarin een levend begrip de orde en verbindingen van alle begrippen omvat, en niet alleen van begrippen maar ook van dingen, en ze ook daadwerkelijk tot uitdrukking brengt, zou men hem dan de onzin hebben toegeschreven, die zó met zijn systeem in tegenspraak was, die zó vloekt met elk gezond verstand? Een paar lastige formuleringen waren daarvan de schuld. Als hij een ander taalgebruik had gehanteerd, dat hem mogelijk minder had gelegen, dan zou men hem vergeven kunnen hebben.
Evenzo was het voor hem schadelijk, dat hij menige pregnante uitdrukking niet verder uitlegde, terwijl op de betekenis ervan zoveel aankwam. Bijvoorbeeld: “Wanneer elk van de oneindige attributen van God ook in al zijn verschijningsvormen (modi) en veranderingen een oneindig, eeuwig Wezen moet uitdrukken”: wat betekent dan hier het pregnante woord “uitdrukken”? Zijn deze verschijningsvormen enkel symbolen, of zijn het zich uitdrukkende karakters? Zijn het representanten en bestaansvormen (Darstellungen) van het eeuwige Wezen, dat hun wezen en bestaan uitmaakt? Tot degene die wil begrijpen, heeft Spinoza genoeg gezegd, want zijn werk is van begin tot einde een idee. Wie over woorden wilde twisten, vond des te meer om over te twisten.
Dan tenslotte zijn op zichzelf genomen voortreffelijke synthetische methode. Deze paste hier niet zo goed, in elk geval dwong ze hem tot vooronderstellingen en formuleringen die, eenmaal door analyse gevonden, helemaal niet zo opgevallen zouden zijn, bv. substantie, attribuut, modus, enz.  Vind jij ook niet, Theo, dat in zijn analytische vorm Spinoza’s hele systeem niet zo aanstootgevend zou zijn?

Theo:  Lessing kon zich dat zeker zo voorstellen. Wat denk je, Philo, stel dat Spinoza weer zou verschijnen, wat zou hij dan tot hen zeggen die hem als een atheïst, een pantheïst, een God-verdeler, God-opteller enz. beschouwen?

Philo:  Mij dunkt, in alle bescheidenheid, maar zeer beslist zou hij zeggen[7]: “Wat maken jullie van mijn systeem, waarvan jullie de basis, een enkel en eeuwig idee, verwoesten? Hebben modificaties dan geen enkele innerlijke realiteit, zijn uitdrukkingen mogelijk zonder iets dat zich erdoor uitdrukt, zijn gedachtengangen denkbaar zonder een onbeperkte, erin doorwerkende kracht? Kon ik maar in een taal, die mij minder goed ligt, doen wat ik kon om jullie een voorstelling te geven van het zuivere begrip en genot van een ondeelbare kracht die in, door en uit zichzelf alles voelt, op alles inwerkt en alles tot stand brengt, machtig vanuit Zijn diepste innerlijk; als ik dit wezenlijke op dezelfde manier in jullie zelf tot stand zou brengen, om jullie daardoor tot de hoogste vreugde en zaligheid te leiden: nou? Jullie wilden mij toedichten dat ik het Ene tot niets, en het meest daadkrachtige Wezen tot een lege buidel heb gemaakt, tot een algemene benaming voor schaduwen die zonder licht niet eens schaduwen konden zijn, en dat ik de zon zou hebben uitgedoofd om uit alle vonkjes van lichtwormen een on-zon te fabriceren – asjeblieft, ik smeek jullie, lees andere geschriften die mogelijk niet in de geest, maar in de formulering onvoltooid zijn.”

Thgeo: Genoeg, je had het over het waardevolle dat je verder nog in dit boekje[8] had gevonden.

Philo:  Het waardevolle was voor mij de manier van denken van de schrijver, die ook in het gesprek over Lessing voornamelijk hierop neerkomt, dat “spitsvondig zijn niet het hele arsenaal van de menselijke denkkracht is. Zoals aan alles, zo ligt ook aan de edelste krachten van onze natuur het “bestaan” (Dasein)  ten grondslag. Dit kan niet in haarkloverijen worden opgelost of zomaar weg-geredeneerd worden. Zonder bestaan (Existenz) en zonder bestaansvormen (Exeistenzen) zou de mens niet denken zoals hij denkt. Daarom zou het doel van zijn gedachten moeten zijn niet om voor zichzelf hersenspinsels te dromen en te spelen met zelfgemaakte werkelijkheid van schijnbegrippen en schijnwoorden, maar, zoals hij het noemt, “bestaan” (Dasein)  te ontdekken, en dit als een gegeven ding aan te nemen, of (zoals hij het noemt) als een openbaring van God , waar men niet omheen kan. Zijn zintuigen moet men door ervaring, en zijn innerlijke zintuigen moet men door waarheidsliefde, orde en samenhang in het denken reinigen en aanscherpen. Willekeurige verbindingen van bestaansloze schijnbegrippen moet men uit de weg gaan en daarvoor in de plaats leren kennen wat er daadwerkelijk is, in al zijn eigenschappen en onderlinge verhoudingen die maken dat het er is. Zulke kennis, verbonden met een innig gevoel voor de waarheid, is de ware kennis, alleen dit kan de geest verhelderen en het hart vormen, en brengt orde en regelmaat in ons leven. In tegenstelling hiermee maakt die muggenzifterij, niet voorbereid met een bestaan van buiten en een stel regels voor de waarheid van binnen, het hoofd dor en het hart leeg.”

Theo: Voortreffelijk! Die menselijke kennis zonder en vóór alle ondervinding zijn louter zinnelijke beschouwingen, ondingen die ieder die zijn eigen bestaan waarneemt, een verdord hoofd bezorgen. Ze missen elk gevoel voor een onderwerp dat met door niemand ingeplante vormen van denkkracht is doorleefd. Ook wij, Philo, hebben in ons gesprek de heilige naam dikwijls slechts als symbool moeten gebruiken. Wat dacht je ervan om deze luchtstroom te onderbreken? Jij kent en spreekt de verkwikkende taal van de klanken. Welaan dan, hier is hun instrument:

Philo:  Deze taal van de geest spreek ik graag.

Looft de Geweldige, de genadige Heer
Gij werelden van Zijn Al!
Gij zonnenlegers, vlamt tot Zijn roem
Gij aarde, zingt Zijn lof!

De echo love Hem, en de natuur
Zing’ Hem een blij concert
En gij, der aarde heer, o mens, vervliet
In harmonieën gans!

Want meer dan alles heeft Hij u bedacht,
Bedeelde u met geest,
Die dringt door alles heen, doorvorst
De raad’ren der natuur.

Verhef Hem hoog tot uwe zaligheid,
Hij behoeft geen lof tot zijn geluk,
De kuiperij en laster vluchten
Als gij u tot Hem wendt.

De zon rijze nooit uit rode vloed,
En zinke nooit daarin,
Als gij vereent uw stemmen niet
Met de stem van de natuur.

Looft Hem in regen en in dorre tijd,
In zonneschijn en storm,
Als ’t sneeuwt, als vorst uit water bruggen bouwt,
En als de aarde groent!

In overstromingen, in oorlog, pest,
Volgt Hem en zingt Hem lof,
Hij zorgt voor u, want Hij schiep tot geluk
Het menselijk geslacht.

En o, hoe liefdevol zorgt Hij voor mij!
In plaats van roem en goud
Gaf Hij mij kracht, de waarheid in te zien
En vriend’- en snarenspel.

Behoudt mij Heer, hetgeen U aan mij gaf!
Meer heb ik niet van nood’
Met heil’ge schroom wil ik, onmachtige,
U prijzen eeuwiglijk.

In donk’re wouden wil ik mij alleen
Met u nog bezig zijn,
En zuchten luid, en naar de hemel zien,
Die door de takken kijkt.

En aan de stranden van de zee vertoeven,
U zie ‘k in elke golf,
En horen U in storm, en u bewonderen
In beemd en bloemtapijt.

Ik wil verrukt de rots beklimmen,
Door wolkenflarden zien,
En zoeken u bij dag, tot mij de nacht
De heil’ge sluimer brengt.

Theo:  Dank je Philo. Zou men niet van de muziek kunnen zeggen wat Vanini van zijn strohalm zei: “Als ik zo ongelukkig was aan het bestaan van God te twijfelen, en ik zou muziek horen, dan zou zij mij van Hem het overtuigend bewijs zijn?

Philo:  Dan denk je nog erg ouderwets, Theo, want sinds kortgeleden is het ons duidelijk gemaakt dat er geen bewijs van God kan zijn.

Theo:  En ik zou willen beweren dat zonder het begrip van God, d.i. van een zelfstandige Waarheid, er geen intellect, laat staan een bewijs zou kunnen zijn.

Copyright: Erik Tjallinks


[1] (noot van Herder) Nog bevredigender is dit te zien in enkele opstellen van Lessings nagelaten werken (Lessings Leben und Nachlass, deel 2, blz. 164). Onweerlegbaar tonen ze het heldere en zuivere begrip aan dat Lessing van Spinoza had, en wijzen ze de grappen in het gesprek naar de plaats waar ze thuishoren.

[2] Friedrich Heinrich Jacobi (1743 – 1819) was an influential German philosopher, literary figure, socialite and the younger brother of poet Johann Georg Jacobi. He is notable for coining the term nihilism and promoting it as the prime fault of Enlightenment thought particularly in the philosophic systems of Baruch Spinoza, Immanuel Kant, Johann Fichte and Friedrich Schelling.[1] Instead of speculative reason, he advocated Glaube (variously translated as faith or “belief”) and revelation. Was een invloedrijk filosoof en literator. Hij is bekend door zijn uitvinding van het woord “nihilisme”, waarvan hij bijna de gehele filosofie van de Verlichting beschuldigde, incl. Spinoza, Kant, Fichte en Schelling. In plaats van speculatief te filosoferen, bepleitte hij het geloof en de openbaring. (http://en.wikipedia.org/wiki/Friedrich_Heinrich_Jacobi ).

[3] (noot van Herder) men zie hierover Wolffs weerlegging van het Spinozisme, deel 2 van zijn “Natürliche Gottesgelährtheit”, par. 671 e.v., die bij de Duitse vertaling van Spinoza’s Zedenleer (Ethica)  is gevoegd.

[4] (noot van Herder) Epist. 23, Opp. Posth., 453.

[5] Voorbeeld van “harde formulering”, zoals het in de gesprekken wordt genoemd. God koppelen aan een noodzaak klinkt absurd, omdat het woord noodzaak in de meeste westerse talen alleen wordt gebruikt bij een dwingende macht die ertoe leidt dat zich een bepaalde situatie voordoet, of iemand iets bepaalds doet of is. Bij God is dat alleen voorstelbaar vanuit het omgekeerde: “God kan niet zichzelf niet kennen”. Zo geformuleerd klinkt het veel minder provocerend.

[6] Verwijst naar de brief van Paulus aan de Romeinen: ’Zal het geboetseerde soms tot zijn boetseerder zeggen: waarom hebt gij mij zo gemaakt? Of heeft de pottenbakker niet de vrije beschikking over het leem om uit dezelfde klomp het ene voorwerp te vervaardigen tot eervol, het andere tot oneervol gebruik?’ (Romeinen, 9:21). Deze zinsnede kan Spinozistisch worden opgevat, maar ook als een argument voor Calvinistische predestinatie.

[7] Het is zeer discutabel of de bescheiden Spinoza de tirade die nu volgt, zou hebben gehouden. Vanaf hier draagt het vierde gesprek een sterk apologetisch Sturm- und Drang – karakter. Mogelijk is dit het gevolg van de destijds felle discussies en polemieken over diverse theologisch-filosofische zienswijzen en onderwerpen waar Herder hartstochtelijk aan meedeed, ook bv. in zijn kritiek op zijn leermeester Kant. Herder was het oneens met Spinoza (daarom noemt hij zichzelf geen Spinozist) vanwege Spinoza’s methode (systeembouw), maar inhoudelijk was hij het in grote lijnen met hem eens.

[8] G.E. Lessing: Über die Lehre des Spinoza, Breslau, 1768.




Follow

Get every new post delivered to your Inbox.